Gepubliceerd op donderdag 17 september 2026
IT 5524
Rechtbank Overijssel ||
24 aug 2026,
Rechtbank Overijssel 24 aug 2026,, IT 5524; ECLI:NL:RBOVE:2026:4534 ([eiseres] tegen de korpschef), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-overijssel-korpschef-moet-inzageverzoek-beoordelen-op-grond-van-art-25-wpg-in-plaats-van-art-15-avg

Rb. Overijssel: korpschef moet inzageverzoek beoordelen op grond van art. 25 Wpg in plaats van art. 15 AVG

Rb. Overijssel 24 juli 2026, IT 5524; ECLI:NL:RBOVE:2026:4534 ([eiseres] tegen de korpschef). [eiseres] heeft de korpschef verzocht om inzage in haar persoonsgegevens over de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017, specifiek in bevragingen die in die periode op basis van haar BSN in de Basisregistratie Personen zijn gedaan. De korpschef heeft het verzoek beoordeeld op grond van art. 15 AVG en afgewezen omdat haar persoonsgegevens volgens hem in die periode niet door de korpschef waren verwerkt. [eiseres] stelt dat duidelijk had moeten zijn dat zij inzage verzocht in politiegegevens en dat haar verzoek daarom op grond van art. 25 Wpg moest worden beoordeeld. De rechtbank volgt haar daarin. Voor de juridische kwalificatie van een inzageverzoek zijn volgens de rechtbank, onder verwijzing naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak, de inhoud en context van het verzoek bepalend en niet de door de verzoeker gekozen juridische benaming. [eiseres] had in haar verzoek verwezen naar een eerder inzageverzoek waarop de korpschef met toepassing van de Wpg had beslist en waarbij een overzicht van gegevens was verstrekt. Daarom had voor de korpschef duidelijk moeten zijn dat zij opnieuw een dergelijk overzicht wilde, maar nu over een andere periode. Daarbij komt dat voor de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de politietaak waarop het verzoek ziet de Wpg de bijzondere en specifiekere wettelijke regeling vormt ten opzichte van de AVG. De korpschef had het verzoek daarom op grond van art. 25 Wpg moeten beoordelen.

Het beroep is ontvankelijk, ondanks dat het vier dagen te laat is ingesteld, omdat in het bestreden besluit aanvankelijk geen beroepsclausule was opgenomen en de termijnoverschrijding daarom verschoonbaar is. De rechtbank verwerpt ook het standpunt van de korpschef dat geen inhoudelijke beroepsgronden waren aangevoerd. De beroepsgrond dat het primaire besluit te laat is genomen slaagt niet: hoewel de beslistermijn inderdaad was overschreden, betreft dit volgens de rechtbank een termijn van orde en had [eiseres] geen ingebrekestelling ingediend. Wel slaagt de beroepsgrond over de wettelijke grondslag. De korpschef heeft het inzageverzoek ten onrechte op grond van de AVG in plaats van de Wpg beoordeeld. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het besluit op bezwaar. Omdat tegen een beslissing op een inzageverzoek op grond van art. 25 Wpg geen bezwaar openstaat maar rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, voorziet de rechtbank met toepassing van art. 8:72 lid 3 Awb zelf in de zaak door ook het primaire besluit te herroepen. De korpschef moet vervolgens een nieuw primair besluit nemen op het inzageverzoek met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank kent geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toe, omdat [eiseres] geen griffierecht heeft betaald en geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten zijn gemaakt.

4.4.

Grondslag inzageverzoek

4.4.1.

De rechtbank volgt [eiseres] wel in haar standpunt dat de korpschef bij de beoordeling van en beslissing op het inzageverzoek (artikel 25 van) de Wpg had moeten toepassen en niet de AVG. Vooropgesteld wordt dat uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de inhoud en context van een inzageverzoek bepalend zijn voor de juridische kwalificatie daarvan en niet de door de indiener gekozen noemer (ECLI:NL:RVS:2026:483). Volgens de korpschef zou [eiseres] in een telefoongesprek desgevraagd hebben aangegeven dat zij heeft bedoeld een inzageverzoek in de zin van de AVG te doen. Niet duidelijk is geworden, ook niet ter zitting, wat er precies besproken is tijdens dit telefoongesprek en hoe en in welke context [eiseres] zich precies heeft uitgelaten over de juridische grondslag van het inzageverzoek. De rechtbank stelt verder vast dat uit de tekst van het inzageverzoek zelf niet blijkt dat dit verzoek is gedaan in de zin van de AVG. In dit verzoek verwijst [eiseres] juist naar een eerder verzoek dat zij gedaan heeft waarop de korpschef wel heeft beslist met toepassing van de Wpg en in het kader waarvan de korpschef een overzicht met gegevens heeft verstrekt aan [eiseres] . Het had onder die omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank voor de korpschef dan ook duidelijk moeten zijn dat [eiseres] beoogde eenzelfde soort overzicht in de zin van de Wpg te verkrijgen, dit keer met gegevens over een andere periode, en dus dat zij daartoe eenzelfde soort verzoek deed. Daar komt bij dat niet de AVG maar (artikel 25 van) de Wpg de wettelijke grondslag vormt voor de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de zorgtaak van de politie. Daarmee vormt de Wpg bijzondere en/of specifiekere wetgeving die in beginsel voorrang krijgt boven de AVG (meer algemene wetgeving). Dit blijkt uit de Memorie van Toelichting bij de aanpassing van de Wpg ten behoeve van EU-richtlijn 2016/680.1 Ook gelet hierop had het, bij gebrek aan enige aanwijzing anderszins, op de weg gelegen van de korpschef om op het inzageverzoek te beslissen op grond van de Wpg.

4.4.2.

Gelet op het voorgaande heeft de korpschef naar het oordeel van de rechtbank bij het bestreden besluit onterecht het inzageverzoek van [eiseres] beoordeeld op grond van de AVG in plaats van de Wpg. Omdat deze beroepsgrond slaagt zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. In dat geval zou de korpschef in beginsel een nieuwe beslissing moeten nemen op het bezwaar van [eiseres] tegen het primaire besluit. Nu echter ten aanzien van een beslissing op een inzageverzoek op grond van artikel 25 van de Wpg een bezwaarmogelijkheid ontbreekt en rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter openstaat,2 zal de rechtbank, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, in zoverre zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen. Als gevolg hiervan moet de korpschef een nieuw (primair) besluit nemen op het inzageverzoek, zulks – zo zal de rechtbank bepalen – met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.