Gepubliceerd op maandag 20 april 2026
IT 5215
Rechtbank Amsterdam ||
Rechtbank Amsterdam , IT 5215; ECLI:NL:RBAMS:2026:3245 (([eiser 1] tegen de [verweerders en gedaagden])), https://itenrecht.nl/artikelen/rb-amsterdam-geen-belang-meer-bij-voorlopige-voorziening-na-verwijdering-persoonsgegevens

Rb. Amsterdam: geen belang meer bij voorlopige voorziening na verwijdering persoonsgegevens

Rb. Amsterdam 1 april 2026, IT5215; ECLI:NL:RBAMS:2026:3245 ([eiser 1] tegen de [verweerders en gedaagden]). In deze zaak heeft [eiser] in een lopende bodemprocedure een incidentele vordering ex artikel 223 Rv ingesteld tegen een dorpsraad/vereniging en haar voorzitter. [eiser] verkreeg in 2020 een bouwkavel binnen het dorpsraad-gebied, waarop in 2022–2025 een woning is gerealiseerd. De dorpsraad volgde de bouw kritisch, correspondeerde daarover met de gemeente en publiceerde berichten op haar website. In de hoofdzaak vordert [eiser] onder meer rectificatie, verwijdering van zijn adres uit online publicaties, het verwijderen van kwalificaties als “illegaal/illegale” en immateriële schadevergoeding in het incident vordert [eiser] primair verwijdering van zijn naam en adres uit online gepubliceerde notulen van een vergadering van 12 januari 2026, en subsidiair verwijdering van alleen zijn naam. Volgens hem is de verwerking van deze persoonsgegevens in strijd met artikel 6 AVG en daarmee onrechtmatig.

De dorpsraad en haar voorzitter voeren aan dat [eiser] geen belang (meer) heeft bij de vordering. De dag nadat zij kennisnamen van het incident hebben zij de NAW-gegevens in de notulen aangepast en op 17 februari 2026 bevestigd dat alle notulen van de website zijn verwijderd. Dit is volgens hen gebeurd zonder erkenning van onrechtmatigheid en enkel om verdere escalatie te voorkomen. De rechtbank volgt dit verweer. Nu de gevraagde aanpassing reeds is gerealiseerd en [eiser] dit niet (voldoende gemotiveerd) heeft betwist, ontbreekt een rechtens te respecteren belang bij de gevraagde voorlopige voorziening. Met toepassing van artikel 3:303 BW wordt de incidentele vordering afgewezen. De beslissing over de proceskosten in het incident wordt aangehouden. De vraag of de dorpsraad en haar voorzitter materieelrechtelijk gehouden waren tot verwijdering van de persoonsgegevens vergt een inhoudelijke beoordeling, die in de hoofdzaak zal plaatsvinden. De zaak wordt verwezen naar de rol van 8 april 2026 voor het bepalen van een mondelinge behandeling.

4.1. De rechtbank gaat er – op basis van de uitlatingen van de [verweerders en gedaagden] en bij gebrek aan andersluidend bericht van de zijde van [eiser] – vanuit dat de aanpassing zoals door [eiser] is gevorderd op 17 februari 2026 is gerealiseerd. [eiser] heeft daarom geen belang meer bij haar incidentele vorderingen. Op grond van artikel 3:303 BW komt haar zonder belang geen rechtsvordering toe. Daarom wijst de rechtbank de gevorderde voorlopige voorziening af.

4.2. Omdat de vraag of de [verweerder in het inc. 1] en [verweerder in het inc. 2] gehouden waren de persoonsgegevens uit de op internet gepubliceerde Notulen te verwijderen een inhoudelijke reactie van de [verweerders en gedaagden] behoeft, die nog niet is gegeven, zal de rechtbank de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat – na een mondelinge behandeling – in de hoofdzaak zal worden beslist. Ook kan [eiser] op de mondelinge behandeling nog reageren op het standpunt van de [verweerders en gedaagden] dat [eiser] in de kosten van het incident moet worden veroordeeld, omdat zij in redelijkheid de gevraagde incidentele vordering had kunnen en moeten intrekken, omdat de gevraagde aanpassing al de dag na het aankondigen daarvan was doorgevoerd.