Gepubliceerd op woensdag 15 april 2020
IT 3103
Rechtbank ||
9 apr 2020
Rechtbank 9 apr 2020, IT 3103; ECLI:NL:RBROT:2020:3186 (Marcan tegen Tak), https://itenrecht.nl/artikelen/raadslid-hoeft-uitlatingen-niet-te-rectificeren

Raadslid hoeft uitlatingen niet te rectificeren

Vzr. Rechtbank Rotterdam 9 april 2020, IEF 19136, IT 3103; ECLI:NL:RBROT:2020:3186 (Marcan tegen Tak) Marcan drijft een onderneming die in Rotterdam onroerend goed verhuurt aan exploitanten van winkels, cafés en restaurants. Tak is lid van de gemeenteraad in Rotterdam. Hij houdt zich onder meer bezig met de onderwerpen horeca en toerisme. Tak had in verschillende (sociale) media het vastgoedbedrijf uitgemaakt voor ‘boevenclub’ en gesteld dat zij haar huurders ‘uitkneep’. Ook heeft hij het vastgoedbedrijf als ‘egoïstisch’ bestempeld. Tak doelt daarbij op de manier waarop het vastgoedbedrijf zich volgens hem tegenover haar huurders gedraagt. Marcan wilde dat de uitspraken zouden worden gerectificeerd en was daarvoor naar de rechter gestapt. Er is geoordeeld dat hier sprake is van een botsing tussen twee fundamentele rechten. Enerzijds het recht op de vrijheid van meningsuiting van het raadslid en anderzijds het recht op eer en goede naam van het vastgoedbedrijf. In dit specifieke geval is geoordeeld dat het recht op vrijheid van meningsuiting in dit geval zwaarder weegt. De vorderingen van het vastgoedbedrijf om de uitlatingen te rectificeren zijn dan ook afgewezen.

4.5. In het onderhavige kort geding gaat het om een botsing van twee fundamentele rechten, namelijk het recht van Marcan op eer en goede naam en het recht van Tak op vrijheid van meningsuiting. Een beperking van voornoemde rechten is op grond van de artikelen 8 lid 2 en 10 lid 2 EVRM toegestaan als deze bij wet is voorzien en noodzakelijk is in het belang van onder meer de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen respectievelijk de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (de zogenaamde noodzakelijkheidstoets). Het antwoord op de vraag welke van deze (in beginsel gelijkwaardige) rechten in het concrete geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle omstandigheden van het geval. Deze omstandigheden wegen niet allemaal even zwaar. Welke omstandigheden van toepassing zijn en welk gewicht daaraan moet worden gehecht, hangt af van het concrete geval. Het oordeel dat het ene recht in het concrete geval zwaarder weegt dan het andere recht, brengt mee dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan voornoemde noodzakelijkheidstoets.

4.8. Als gevolg van de coronacrisis heeft de bedrijfsvoering van Marcan op sociale media opnieuw aandacht gekregen. Zo heeft de eigenaar van Bokaal op 17 maart 2020 via Facebook zijn ongenoegen geuit over een brief die hij van Marcan had ontvangen. Aan deze kwestie is vervolgens aandacht besteed in het Algemeen Dagblad. Naar aanleiding daarvan heeft ook Tak zich in het debat geroerd. Via Twitter heeft hij het artikel van het Algemeen Dagblad gedeeld en van commentaar voorzien. Voorts heeft hij via Facebook een interview met De Telegraaf gedeeld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter stond het Tak, gelet ook op zijn rol als gemeenteraadslid, vrij om zijn mening over de handelwijze van Marcan op deze wijze te uiten, te meer nu de bedrijfsvoering van Marcan reeds onderwerp was van publiek en politiek debat en zowel Marcan als Tak daarin van elkaar afwijkende standpunten hadden ingenomen. Anders dan Marcan betoogt, volgt uit de berichten van Tak duidelijk dat hij in lijn met zijn eerdere opvattingen opnieuw een positie inneemt in dit debat en zodoende een waardeoordeel geeft over de handelwijze van Marcan. Daarbij komt dat Tak in zijn berichten de artikelen uit het Algemeen Dagblad en De Telegraaf deelt en in die artikelen de standpunten van Marcan en Tak helder uiteen zijn gezet. Alhoewel de door Tak gekozen bewoordingen fel van aard zijn – en hoezeer met een neutralere woordkeuze eenzelfde boodschap afgegeven had kunnen worden – dient Marcan zich dit te laten welgevallen. Daarbij weegt mee dat Marcan een relevante speler is op de Rotterdamse vastgoedmarkt en daarmee een zekere publieke rol inneemt. Voorts acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat de door Tak gekozen bewoordingen door zijn volgers niet zonder meer letterlijk zullen worden begrepen. Nu uit de krantenberichten volgt dat Marcan en Tak andersluidende opvattingen hebben, zal het commentaar van Tak in die context worden gelezen. Aannemelijk is dat het woord “boevenclub” in meer overdrachtelijke zin zal worden opgevat. Ten slotte is van belang dat niet gebleken is dat Tak specifiek als belangenbehartiger van een of meer horecaondernemers acteert.

4.9. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het recht van Tak op vrijheid van meningsuiting in dit geval zwaarder weegt dan het recht van Marcan op eer en goede naam. Dit betekent dat Tak met zijn uitlatingen niet onrechtmatig jegens Marcan heeft gehandeld. Derhalve zal de vordering van Marcan worden afgewezen.

Afbeelding: AJEL, Pixabay.