10 apr 2026
Prijswijziging Vattenfall oneerlijk; ruime wijzigingsbevoegdheid onvoldoende transparant
Rb. Amsterdam 10 april 2026, IT5217, ECLI:NL:RBAMS:2026:3660 ([eiser ] tegen VATTENFALL). In deze zaak staat de vraag centraal of een prijswijzigingsbeding in de algemene voorwaarden van een energieleverancier als oneerlijk moet worden aangemerkt. De consument ([eiser]) die na afloop van een vaste contractperiode automatisch is overgezet naar een variabel contract voor onbepaalde tijd, overeenkomstig de toepasselijke productvoorwaarden. Op de overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden 2017 van toepassing, waarin Vattenfall een ruime bevoegdheid is toegekend om leveringstarieven gedurende de looptijd te wijzigen op basis van onder meer marktomstandigheden en kostenontwikkelingen. [eiser] vordert vernietiging van de per 1 april en 1 juli 2022 doorgevoerde prijswijzingen, stellende dat daaraan ten grondslag liggende prijswijzigingsbeding oneerlijk is. De kantonrechter leest deze vordering als mede gericht tegen het beding zelf en toetst de (on)eerlijkheid daarvan ambtshalve. Het beroep van Vattenfall op verjaring wordt verworpen. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken C-776/19–C-782/19 (BNP Paribas Personal Finance) overweegt de kantonrechter dat een vordering tot vernietiging van een oneerlijk beding niet kan verjaren. Voor eventuele restitutievorderingen geldt dat de verjaringstermijn pas aanvangt wanneer de consument bekend is met het mogelijk oneerlijke karakter van het beding. Vaststaat dat sprake is van een consumentenovereenkomst waarin gebruik wordt gemaakt van niet-onderhandelde algemene voorwaarden, zodat Richtlijn 93/13/EG van toepassing is. Het verweer dat het prijswijzigingsbeding een kernbeding betreft, faalt. Hoewel het beding grammaticaal begrijpelijk is, is het inhoudelijk zodanig ruim geformuleerd dat de consument geen reële inschatting kan maken van de economische gevolgen. Daarmee wordt niet voldaan aan de transparantie-eis, zodat toetsing aan de Richtlijn openstaat.
Bij de inhoudelijke beoordeling stelt de kantonrechter voorop dat een beding oneerlijk is indien het, in strijd met de goede trouw, het contractuele evenwicht aanzienlijk verstoort in het nadeel van de consument. Beslissend is of de handelaar er redelijkerwijs van mocht uitgaan dat de consument bij individuele onderhandelingen met het beding zou hebben ingestemd. Het prijswijzigingsbeding schiet volgens de kantonrechter tekort op het punt van transparantie. Het verschaft geen inzicht in de omstandigheden waaronder prijswijzigingen kunnen plaatsvinden, noch in de frequentie of de omvang daarvan. Hierdoor beschikt Vattenfall in wezen over een onbegrensde bevoegdheid om tarieven aan te passen, hetgeen de consument blootstelt aan potentieel aanzienlijke prijsverhogingen. Dat in de praktijk ook prijsverlagingen zijn doorgevoerd of dat een zekere flexibiliteit voor de leverancier noodzakelijk is, doet hieraan niet af; bepalend is de formulering van het beding ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Beschermende factoren, zoals de wettelijke verplichting tot levering tegen redelijke tarieven en het toezicht door de ACM, bieden volgens de kantonrechter onvoldoende individuele contractuele waarborgen. Evenmin wordt het ontstane onevenwicht weggenomen door de mogelijkheid tot kosteloze opzegging, nu de consument daarbij gebonden blijft aan een opzegtermijn van 30 dagen en dus tijdelijk aan een mogelijk ongunstig tarief is onderworpen. De kantonrechter concludeert dat Vattenfall er niet van mocht uitgaan dat de consument met dit beding zou hebben ingestemd indien daarover individueel was onderhandeld. Het beding veroorzaakt een aanzienlijke verstoring van het contractuele evenwicht en wordt daarom als oneerlijk aangemerkt. Het wordt vernietigd. De automatische omzetting van het vaste contract naar een variabel contract (artikel 5 productvoorwaarden) houdt daarentegen stand. Dit beding wordt als voldoende transparant beschouwd en leidt niet tot een wezenlijke verstoring van het contractuele evenwicht, mede omdat de consument bij afloop van de vaste periode de mogelijkheid had om een nieuw vast contract te kiezen. De gestelde schending van precontractuele informatieplichten (artikel 6:230m BW) kan niet leiden tot vernietiging van het prijswijzigingsbeding en blijft daarom buiten beschouwing.
4.2. Als meest verstrekkend verweer heeft Vattenfall aangevoerd dat de vernietigingsvordering is verjaard. Vattenfall heeft voor het eerst in 2018 een beroep gedaan op het prijswijzigingsbeding. Zij stelt zich op het standpunt dat op dat moment de verjaringstermijn van drie jaar is gaan lopen en dat deze termijn inmiddels is verstreken. Dit verweer slaagt niet. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hierna: HvJ EU) volgt namelijk dat vorderingen van de consument gericht op vernietiging van een beding vanwege de oneerlijkheid daarvan niet kunnen verjaren (HvJ EU 10 juni 2021, BNP Paribas Personal Finance, C776/19–C782/19, EU:C:2021:470, punt 38). Vorderingen die strekken tot restitutie van bedragen die uit hoofde van een oneerlijk beding zijn betaald kunnen in beginsel wel verjaren, maar daarvoor zal de verjaringstermijn pas aanvangen vanaf het moment waarop [eiser] daadwerkelijk wist of kon weten dat de door Vattenfall bedongen tariefwijziging gegrond was op een mogelijk oneerlijk beding. Nu juist dit punt ter beoordeling voorligt en daarop nog niet eerder is beslist, is de verjaringstermijn nog niet aangevangen. Het beroep op verjaring faalt derhalve.
4.4. Het verweer van Vattenfall dat het prijswijzigingsbeding een kernbeding is, doet aan het voorgaande niet af. Weliswaar verzet artikel 4 van de Richtlijn zich tegen toetsing van de eerlijkheid van kernbedingen, maar alleen als het kernbeding voldoende duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd (zie ook HvJ EU 3 juni 2010, ECLI:NL:EU:C:309, r.o. 39). Het prijswijzigingsbeding voldoet niet aan deze voorwaarde. Hoewel het beding grammaticaal duidelijk is, is het zo ruim geformuleerd dat het de consument onvoldoende in staat stelt een redelijke inschatting te maken van de economische gevolgen. Dat betekent dat de Richtlijn zich niet tegen toetsing van de eerlijkheid van het prijswijzigingsbeding verzet, ook niet als het een kernbeding zou zijn
4.6.Zoals hiervoor (4.4) is geoordeeld, voldoet het prijswijzigingsbeding niet aan het vereiste van transparantie. Dat leidt niet automatisch tot het oordeel dat het beding oneerlijk is, maar is wel een factor die bij die beoordeling meeweegt.
4.13. Samenvattend is sprake van een ruime wijzigingsbevoegdheid voor Vattenfall, met enige begrenzing door haar wettelijke verplichting om energie tegen redelijke prijzen aan te bieden. De consument heeft niet alleen nadeel van het prijswijzigingsbeding, omdat het ook kan leiden tot prijsverlagingen. Het beding is echter niet transparant over waarom, wanneer, hoe vaak en hoe hoog prijswijzigingen worden doorgevoerd. Een consument die met voor hem onacceptabele wijzingen wordt geconfronteerd kán de overeenkomst opzeggen, want er zijn alternatieven. De consument zal echter wél enige tijd gebonden zijn aan het ongunstige tarief. Op basis van deze omstandigheden mocht Vattenfall er naar het oordeel van de kantonrechter redelijkerwijs niet van uitgaan dat [eiser] ook met het prijswijzigingsbeding zou hebben ingestemd als daarover zou zijn onderhandeld. Naar het oordeel van de kantonrechter is sprake van een aanzienlijke verstoring van het contractuele evenwicht in strijd met de goede trouw. Het prijswijzigingsbeding is oneerlijk en zal dus worden vernietigd.
4.17 Deze toets leidt de kantonrechter tot de conclusie dat het beding niet oneerlijk is. Het beding is voldoende transparant, in die zin dat het duidelijk is wat de gevolgen ervan zijn. Bovendien is van een ernstige verstoring van het contractuele evenwicht in strijd met de goede trouw geen sprake. Het stond [eiser] immers vrij om aan het einde van zijn vaste contract opnieuw een vast energiecontract af te nemen. Artikel 5 regelt de gevolgen als de consument daar niet voor kiest. De manier waarop dat door het beding wordt ingevuld, is naar het oordeel van de kantonrechter het voor de consument minst belastende alternatief. Voorkomen wordt dat een onoplettende consument onverwacht zonder energie(contract) zit. Door te verlengen met een variabel contract, kan de consument die niet bij Vattenfall wil blijven, of toch een vast contract wilde afnemen, snel en kosteloos opzeggen. De alternatieven (verlengen met een vast contract of het contract laten eindigen) zou de consument meer belasten.