3 jul 2026,
Plaatsing van afnemersindicatie in BRP is verwerking van persoonsgegevens
Rb. Overijssel 3 juli 2026, IT 5389; ECLI:NL:RBOVE:2026:3768 ([verzoekster] tegen het college). Ten verzoekster vroeg het college van burgemeester en wethouders van Enschede op grond van de artikelen 12 en 15 AVG om inzage in de verwerking van haar persoonsgegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP). Het college verstrekte informatie over vijf raadplegingen: één op 24 februari 2022 en vier op 7 november 2022. Volgens verzoekster was deze informatie onvolledig. De rechtbank oordeelt dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op 24 februari 2022 alleen haar naam-, adres- en woonplaatsgegevens en haar burgerservicenummer zijn geraadpleegd om in het documentmanagementsysteem Corsa een dossier voor inkomende post aan te maken. Dat het overzicht van gegevensverstrekkingen uit de BRP ook andere gegevenscategorieën vermeldde, betekent niet dat al die gegevens daadwerkelijk zijn geraadpleegd. Ook acht de rechtbank aannemelijk dat de vier raadplegingen van 7 november 2022 niet door het college zijn verricht. Deze vonden plaats via DigiD, terwijl het college niet over de DigiD-gegevens van verzoekster beschikt. De rechtbank wijst het verzoek om een IT-forensisch deskundige aan te stellen af. Het college heeft de relevante raadplegingen en verwerkingen voldoende toegelicht en een deskundigenonderzoek draagt volgens de rechtbank niet bij aan het door verzoekster beoogde doel.
Ten aanzien van 26 februari 2022 oordeelt de rechtbank dat het college wel persoonsgegevens heeft verwerkt. Vanuit Corsa was op 24 februari 2022 automatisch verzocht om een afnemersindicatie op verzoeksters persoonslijst in de BRP te plaatsen. Om technische redenen werd deze indicatie pas op 26 februari 2022 geplaatst. Een afnemersindicatie zorgt ervoor dat wijzigingen in de persoonsgegevens die de afnemer nodig heeft automatisch aan die afnemer worden doorgegeven. Volgens de rechtbank is het plaatsen daarvan een verwerking in de zin van artikel 4 AVG, ook wanneer dit automatisch gebeurt en het college daardoor niet onmiddellijk nieuwe persoonsgegevens inziet. Het geheel van persoonsgegevens wordt immers bewerkt doordat daaraan de eigenschap wordt verbonden dat wijzigingen automatisch worden doorgegeven. Omdat het college deze verwerking niet in het besluit op bezwaar had onderkend, was dat besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd en in strijd met artikel 7:12 lid 1 Awb. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het besluit voor zover het de verwerking van 26 februari 2022 betreft. De rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte blijven op grond van artikel 8:72 lid 3, onder a, Awb echter in stand. Het college heeft tijdens de beroepsprocedure alsnog voldoende informatie verstrekt over de aard, herkomst en doeleinden van de verwerking en verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college over meer persoonsgegevens of informatie beschikt. Een nieuwe beslissing op bezwaar zou daarom geen nieuwe informatie opleveren. Het college moet het griffierecht van € 194 vergoeden en wordt veroordeeld tot betaling van € 2.335 aan proceskosten.
Conclusie en gevolgen
10. Gelet op de navraag die [verzoekster] gedaan heeft bij de RvIG over de raadpleging op 26 februari 2022 en het gewijzigde standpunt van het college over deze raadpleging, bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Het voorgaande betekent dat het beroep van [verzoekster] gegrond is omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van 23 januari 2025, voor zover dit wordt vernietigd, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten. Het college heeft de motiveringsgebreken in beroep hersteld en een nieuwe beslissing op bezwaar zal geen nieuwe resultaten op het inzageverzoek opleveren. Dit betekent dat het college geen nieuw besluit hoeft te nemen.
11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt [verzoekster] een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De gemachtigde heeft het beroepschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt in totaal € 2.335,- (te weten 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de repliek van [verzoekster] op 2 april 2026).
12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan [verzoekster] het door haar betaalde griffierecht vergoeden.