Gepubliceerd op donderdag 14 januari 2021
IT 3373
Hof ||
22 dec 2020
Hof 22 dec 2020, IT 3373; ECLI:NL:GHAMS:2020:3573 (X tegen Your Test Professionals ), https://itenrecht.nl/artikelen/opzegging-opdrachtovereenkomst-it-consultancy

Opzegging opdrachtovereenkomst IT-consultancy

Hof Amsterdam 22 december 2020, IT 3373; ECLI:NL:GHAMS:2020:3573 (X tegen Your Test Professionals)  Appellant drijft een eenmanszaak die zich bezighoudt met advisering op het gebied van informatietechnologie. Your Test Professionals (YTP) drijft een detacheringsbureau. Op 7 juli 2017 hebben partijen een inkoopovereenkomst gesloten op basis waarvan appellant wordt gedetacheerd. Op 3 september 2017 heeft appellant een bericht gestuurd aan de teamleider met de mededeling dat zijn broer is overleden en dat hij daarom op 4 september niet aanwezig zal zijn. In daaropvolgend bericht van 15 september heeft appellant medegedeeld dat hij vanaf die maandag weer beschikbaar zou zijn.

Appellant is diezelfde dag medegedeeld dat hij werd vervangen door een andere consultant. Appellant stelt zich op het standpunt dat daarmee YTP in strijd heeft gehandeld met de bepalingen van de inkoopovereenkomst, door niet de opzegtermijn van twee maanden in acht te nemen. YTP voert daartegen het verweer inhoudende dat de rechtbank ten onrechte de berichtgeving van 15 september kwalificeert als een opzegging, dat appellant geen recht had op doorbetaling van loon en dat de opzegtermijn geen twee maanden bedraagt. Geoordeeld wordt dat er sprake is van een voortijdige opzegging door YTP, waardoor de appellant recht heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Rekening houdend met de oorspronkelijke looptijd van de overeenkomst wordt de opzegtermijn op één maand gesteld. Het beroep van YTP op verrekening faalt, omdat appellant zelf niet de mogelijkheid is geboden om tot een oplossing te komen.

3.8 Artikel 5 lid 1 van de inkoopovereenkomst rept in de eerste zinsnede over het door YTP kunnen opzeggen van de overeenkomst, in het geval dat [X] de aan YTP verstrekte opdracht beëindigt. In dat geval zal (tweede zin van genoemd artikellid) YTP ‘een’ opzegtermijn in acht nemen. De laatste zin van artikel 5 lid 1 van genoemde overeenkomst houdt in dat YTP ‘bovendien’ iedere opdracht met [appellant] kan beëindigen. In dat geval geldt een opzegtermijn van twee maanden. Hoe lang de duur van de opzegtermijn bedraagt, in geval de opzegging door YTP is gebaseerd op het door [X] opzeggen van de opdracht jegens YTP, is daarmee in de overeenkomst niet bepaald. In de tweede zin van genoemd artikellid is immers niet de duur van de in dat geval in acht te nemen opzegtermijn opgenomen. In de derde zin van genoemd artikellid staat wel een duur, maar dat ziet op een andere situatie (‘bovendien’). Met YTP is het hof – met de toenmalige gemachtigde van [appellant] in diens brief van 12 oktober 2017 - van oordeel dat het voor de hand ligt dat de opzegtermijn ingeval de opzegging door YTP aan [appellant] is gebaseerd op een door [X] aan YTP gerichte beëindiging van de opdracht (tweede zin), geacht moet worden korter te zijn dan in geval de opzegging door YTP aan [appellant] op enige andere grond is gebaseerd (derde zin). In de situatie van de tweede zin (beëindiging opdracht door [X] ) zullen er immers in het algemeen voor [appellant] geen of weinig werkzaamheden meer te verrichten zijn, en is YTP in zekere zin gedwongen tot beëindiging van de opdracht met [appellant] . De situatie in de derde zin betreft de eigen keuze van YTP om tot beëindiging van de opdracht met [appellant] te komen, zonder dat dat door een derde is ingegeven. Dan zijn de mogelijkheden voor YTP om [appellant] aan het werk te houden groter, dus ligt een wat langere opzegtermijn voor de hand. Hoe lang de door YTP in acht te nemen opzegtermijn bedraagt, in het geval haar opzegging verband houdt met een beëindiging van de opdracht door [X] (tweede zin) is, zoals gezegd, niet in de opdrachtovereenkomst beschreven. Er zal daarom moeten worden bepaald hoe partijen deze bepaling redelijkerwijs dienden op te vatten, althans hoe deze bepaling redelijkerwijs dient te worden uitgelegd. YTP heeft (subsidiair) gesteld een opzegtermijn van drie weken in een dergelijk geval marktconform is. [appellant] heeft zich niet erover uitgelaten wat een redelijke, doch korter dan twee maanden durende, opzegtermijn in dat geval zou moeten zijn. Artikel 7:411 BW bepaalt dat indien de opdrachtovereenkomst eindigt voordat de tijd waarvoor zij is aangegaan is verstreken, de opdrachtnemer recht heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Ermee rekening houdend dat de inkoopovereenkomst een oorspronkelijke looptijd had van 5 2/3e maand (van 10 juli tot en met 31 december 2017), acht het hof een door YTP tegenover [appellant] - in geval van een door [X] bewerkstelligde beëindiging van de opdracht – in acht te nemen opzegtermijn van een (1) maand redelijk. Dat betekent dat de door YTP op 15 september 2017 verrichte opzegging, een opzegtermijn kende van een maand. Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat het door YTP niet oproepen van [appellant] tot 17 oktober 2017, in de risicosfeer van YTP ligt. Artikel 4 lid 2 van de inkoopovereenkomst staat daaraan niet in de weg. Indien namelijk zou moeten worden aangenomen dat voor niet-gewerkte uren door YTP nooit hoeft te worden betaald, dan is artikel 5, over het door YTP in acht moeten nemen van een opzegtermijn, zonder betekenis. Dat kan door partijen niet beoogd zijn, dus de door YTP voorgestane uitleg van artikel 4 lid 2 van de opdrachtovereenkomst kan niet worden aanvaard. Toekenning van het loon gedurende een maand vanaf 15 september 2017 strookt bovendien met artikel 7:411 BW, hetgeen zoals genoemd inhoudt dat de opdrachtnemer recht heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Die periode betreft een maand. Tussen partijen staat vast dat het loon over twee maanden € 34.030,04 inclusief BTW bedraagt. [appellant] heeft ter zitting in hoger beroep gesteld slechts aanspraak te maken op dit bedrag zonder BTW, dat wil zeggen € 28.124,- over twee maanden zonder BTW. Het bedrag zonder BTW per maand bedraagt daarmee € 14.062,-. Dit bedrag, met rente, komt aan [appellant] toe. Het beroep van YTP op verrekening wordt, zoals al is genoemd, verworpen. Tegen het oordeel van de rechtbank dat YTP over deze schade vanaf 12 december 2017 (gewone) wettelijke rente is verschuldigd, is niet gegriefd. Het door [appellant] aan hoofdsom meer gevorderde zal worden afgewezen. Evenzo falen de grieven in incidenteel appel van YTP, waar deze gericht zijn tegen het door de rechtbank toekennen van schadeloosstelling over de periode 15 september tot 17 oktober 2017.