7 aug 2026,
Onvoldoende transparantie over CaseMatcher leidt tot vernietiging Dublinbesluit
Rb. Den Haag 7 augustus 2026, IT 5418; ECLI:NL:RBDHA:2026:22096 (eiser tegen de minister van Asiel en Migratie). De minister nam de opvolgende asielaanvraag van een Somalische vreemdeling niet in behandeling omdat Frankrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk was voor de behandeling daarvan. Eiser voerde onder meer aan dat de besluitvorming onvoldoende transparant, inzichtelijk en controleerbaar was, omdat daarbij mogelijk gebruik was gemaakt van CaseMatcher, een door de IND gebruikte zoek- en vindtool waarmee eerdere asielzaken kunnen worden gezocht, gefilterd en op relevantie gerangschikt. De minister stelde dat CaseMatcher in deze zaak niet was gebruikt en dat het systeem geen AI-systeem is. De rechtbank oordeelt echter dat de minister het gestelde niet-gebruik niet met stukken heeft onderbouwd en zijn toelichting daarover gedurende de procedure heeft gewijzigd. Daarom kan niet worden uitgesloten dat CaseMatcher toch is gebruikt en moet er volgens de rechtbank van worden uitgegaan dat mogelijk van CaseMatcher gebruik is gemaakt.
De rechtbank kan op basis van de door de minister verstrekte informatie evenmin vaststellen hoe CaseMatcher technisch werkt en of het een AI-systeem is. Onduidelijk bleef onder meer hoe het zoekalgoritme informatie rangschikt, welke wiskundige wegingsfactoren de relevantiescore bepalen, hoe deze factoren zijn vastgesteld en welke technieken daarbij worden gebruikt. Daardoor kan de rechtbank niet beoordelen of eventuele waarborgen bij AI-gebruik zijn nageleefd, of risico's op bias bij het zoeken, filteren en rangschikken van informatie voldoende zijn ondervangen en of het bestreden besluit volledig wordt gedragen door de daarin kenbaar gemaakte motivering. Ook kan niet worden vastgesteld of het gebruik van het algoritme in het besluit had moeten worden vermeld. Omdat de minister onvoldoende inzicht heeft gegeven in de werking van CaseMatcher, kan het gebruik van het algoritme niet in rechte worden getoetst. De rechtbank constateert daarom een motiveringsgebrek en, zolang onduidelijk blijft of CaseMatcher AI is, ook een zorgvuldigheidsgebrek. Het beroep is gegrond en het besluit wordt wegens strijd met art. 3:2 en 3:46 Awb vernietigd. De minister moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen. Wordt daarbij opnieuw CaseMatcher gebruikt, dan moet de minister deze uitspraak in acht nemen; wordt CaseMatcher niet gebruikt, dan moet dat worden onderbouwd. Ook moet de minister € 2.802 aan proceskosten vergoeden.
17. Het voorgaande betekent dat, zolang niet kan worden vastgesteld dat het vermelden van het algoritme noodzakelijk is om tot een deugdelijke motivering van het besluit te komen, sprake is van een motiveringsgebrek. Een andere uitleg zou immers betekenen dat de rechtbank de stellingname van de minister dat geen sprake is van een AI-systeem niet kan controleren, en besluiten waar mogelijk AI aan ten grondslag ligt, niet in rechte kunnen worden getoetst. Zolang onduidelijk blijft of CaseMatcher een AI-systeem is, is eveneens sprake van een zorgvuldigheidsgebrek ten aanzien van de vraag of sprake is van bias en zo ja, of de mogelijke risico’s voldoende zijn ondervangen. De overlegde informatie is daartoe onvoldoende nu immers bij een AI-systeem andere risico’s op bias ontstaan en andere maatregelen moeten worden genomen ter voorkoming daarvan.
18. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De minister heeft de aanvraag ten onrechte buiten behandeling gesteld. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat het genomen is in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of om zelf een beslissing te nemen, omdat de minister een nieuwe beoordeling moet maken van de asielaanvraag van eiser. Als de minister daarbij opnieuw gebruik maakt van de CaseMatcher moet hij dat doen met inachtneming van deze uitspraak. Als geen gebruik gemaakt wordt van de CaseMatcher moet dat worden onderbouwd. De rechtbank geeft de minister een termijn van zes weken om opnieuw op de aanvraag te beslissen.
19. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,-. De rechtbank kent hierbij 3 punten toe met een wegingsfactor van 1 en een waarde per punt van € 934,-. De rechtbank komt als volgt tot deze punten: 1 punt voor het indienen van een beroepschrift. Nu voor de aanwezigheid op de zitting van 22 juli 2025 al 1 punt is toegekend bij de toewijzing van de voorlopige voorziening, kent de rechtbank daarvoor niet opnieuw een punt toe. De rechtbank kent wel 1 punt toe voor de aanwezigheid op de zitting van 29 oktober 2025. Daarnaast komt voor vergoeding van 0,5 punt per reactie in aanmerking de reactie van eiser voor zover de rechtbank hierom heeft verzocht. Dat betreft in deze zaak de reactie van 2 maart 2026 alsmede de reactie van 8 juni 2026 op de reactie van de minister naar aanleiding van de tussenuitspraak.