9 sep 2026,
Onvoldoende onderbouwing softwareverplichtingen leidt tot afwijzing wederzijdse vorderingen
Rb. Overijssel 9 september 2026, IT 5534; ECLI:NL:RBOVE:2026:5571 (TJ tegen Carsub). Tomorrow’s Journey Ltd. (TJ), eigenaar van het JRNY-softwareplatform, en Carsub B.V. sloten op 24 januari 2024 een softwareovereenkomst met daarbij een Statement of Work en een Service Level Agreement. Carsub betaalde een eenmalige custom development fee van £ 10.000 en vervolgens een maandelijkse licentievergoeding van £ 2.500. Vanaf februari 2025 stopte Carsub met betalen, omdat het platform volgens haar niet voldeed aan de gemaakte afspraken en niet geschikt was voor haar bedrijfsvoering met flexibele autoabonnementen. TJ vorderde betaling van de achterstallige en resterende licentievergoedingen, contractuele boetes en buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank wijst deze vorderingen af. Uit de Statement of Work leidt de rechtbank af dat TJ zich tot méér had verplicht dan alleen toegang geven tot het standaard JRNY-platform: daarin worden onder meer de ontwikkeling van een volledig abonnementsplatform en verschillende maatwerkaanpassingen genoemd. TJ heeft echter onvoldoende concreet gesteld welke verplichtingen precies op haar rustten, welk maatwerk zij moest leveren en in hoeverre zij die verplichtingen is nagekomen. Op grond van art. 150 Rv rustte op TJ de stelplicht en bewijslast van de feiten waarop haar betalingsvorderingen waren gebaseerd. Omdat zij haar stellingen onvoldoende had onderbouwd, kan de rechtbank niet vaststellen dat TJ haar verplichtingen uit de overeenkomst is nagekomen en dat Carsub daarom gehouden was de gevorderde licentievergoedingen te betalen.
Carsub vorderde in reconventie primair een verklaring voor recht dat zij de overeenkomst per 5 maart 2025 had ontbonden en subsidiair ontbinding door de rechtbank. Daarnaast vorderde zij terugbetaling van € 53.215,33 exclusief btw en vergoeding van € 9.690,02 exclusief btw aan schade. Ook deze vorderingen worden afgewezen. Voor ontbinding op grond van art. 6:265 lid 1 BW moet sprake zijn van een tekortkoming van TJ, terwijl op Carsub volgens art. 150 Rv de stelplicht en bewijslast daarvan rusten. Uit de overeenkomst en bijlagen kan de rechtbank niet voldoende vaststellen welke concrete functionaliteiten TJ moest opleveren en op welk moment. De in de Statement of Work genoemde data van 15 en 29 april 2024 waren uitdrukkelijk streefdata. Evenmin blijkt voldoende uit de overeenkomst, bijlagen, e-mailcorrespondentie of overige stukken dat TJ specifiek een functionaliteit moest ontwikkelen waarmee klanten maandelijks opzegbare autoabonnementen konden afsluiten. Omdat niet kan worden vastgesteld wat partijen op deze punten precies zijn overeengekomen, kan ook niet worden vastgesteld dat TJ is tekortgeschoten. De vorderingen van Carsub worden daarom eveneens afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.8
De verplichting van Carsub tot betaling van de maandelijkse licentievergoeding staat tegenover TJ haar verplichting tot het leveren van het platform. Het is de vraag of TJ aan haar verplichting heeft voldaan, omdat partijen verschillen van mening over wat voor platform TJ aan Carsub moest leveren; te weten het standaard JRNY-platform of het JRNY-platform met maatwerkaanpassingen. De rechtbank zal dus eerst moeten vaststellen wat partijen zijn overeengekomen. Op grond van artikel 150 Rv rust de stelplicht en de bewijslast op TJ. TJ moet stellen en onderbouwen wat is overeengekomen, dat zij aan haar verplichtingen heeft voldaan en daarom recht heeft op betaling (nakoming van de overeenkomst). TJ heeft dat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gedaan. De rechtbank maakt uit de SOW op dat partijen nadere afspraken hebben gemaakt over maatwerkaanpassingen, nu daarin onder het kopje “start-up activities” bijvoorbeeld wat staat over “Development of full subscription platform”, “custom development to integrate 24ID” en “custom development of email based dealer approval process”. Ook wordt in de SOW gesproken over een maatwerkvergoeding (custom development fee) van £ l0.000,00, waarvan niet in geschil is dat Carsub deze heeft betaald. De rechtbank begrijpt hieruit dat TJ zich tot meer had verplicht dan het enkel toegang verschaffen tot het standaard JRNY-platform. Met de toelichting van TJ op de mondelinge behandeling komt de rechtbank niet verder. Daaruit begrijpt de rechtbank dat TJ stelt dat zij slechts gehouden was om Carsub toegang tot het standaard JRNY-platform te geven, maar toch voor ruim € 80.000,00 aan maatwerk heeft geleverd aan Carsub (maar niet in rekening heeft gebracht aan Carsub). TJ heeft verder niet verduidelijkt om wat voor maatwerk dat ging. Dat TJ maatwerk voor zo’n bedrag zou leveren zonder dat zij daartoe volgens de overeenkomst verplicht was, komt de rechtbank niet logisch voor.
5.9
Al met al komt de rechtbank tot de slotsom dat TJ niet aan de op haar rustende stelplicht van artikel 150 Rv heeft voldaan, althans heeft zij nagelaten haar vorderingen met voldoende concrete feiten en omstandigheden te onderbouwen. Aan nadere bewijslevering wordt daarom niet toegekomen. De rechtbank kan daardoor niet vaststellen of TJ haar verplichtingen uit de overeenkomst is nagekomen, waardoor er een betalingsverplichting voor Carsub is ontstaan. Gelet hierop behoeven de overige verweren geen bespreking meer. De vorderingen van TJ worden dan ook afgewezen.