Gepubliceerd op woensdag 15 juli 2026
IT 5358
Rechtbank Amsterdam ||
24 jun 2026,
Rechtbank Amsterdam 24 jun 2026,, IT 5358; ECLI:NL:RBAMS:2026:6444 ([eiser] tegen [gedaagden]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/ontslag-van-bij-strafrechtelijk-onderzoek-betrokken-directielid-niet-toerekenbaar-aan-adviseurs

Ontslag van bij strafrechtelijk onderzoek betrokken directielid niet toerekenbaar aan adviseurs

Rb. Amsterdam 24 juni 2026, IT 5358; ECLI:NL:RBAMS:2026:6444 ([eiser] tegen [gedaagden]). In deze zaak oordeelt de rechtbank Amsterdam dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat de vennootschappen van zijn communicatieadviseur en advocaat jegens hem toerekenbaar zijn tekortgeschoten dan wel onrechtmatig hebben gehandeld bij hun advisering over het commentaar dat hij aan een journalist van het FD heeft gegeven. Voor de vorderingen tegen de communicatieadviseur en advocaat persoonlijk geldt dat geen persoonlijk ernstig verwijt is komen vast te staan. [eiser] was directielid bij [bedrijf] en werd vanaf 2021 verdacht van het mededelen van en handelen met voorwetenschap. Het strafrechtelijk onderzoek naar hem eindigde in een transactie met het Openbaar Ministerie. Nadat een journalist van het FD hem in dat verband om wederhoor vroeg voor een artikel, schakelde [eiser] de vennootschappen van een communicatieadviseur en een advocaat in om hem te adviseren over de vraag of, en zo ja welk, commentaar hij aan de journalist moest geven. In het uiteindelijk aan de journalist gegeven commentaar stond onder meer dat geen sprake was van het bewust delen of gebruiken van verboden informatie, maar dat een familielid zonder medeweten van [eiser] had gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek. Die passage werd overgenomen in het FD-artikel. Kort daarna werd [eiser] door [bedrijf] op non-actief gesteld en later op staande voet ontslagen. Volgens [eiser] kon de passage worden opgevat als een bekentenis dat hij voorwetenschap had gedeeld. Hij stelt dat hij ondeugdelijk is geadviseerd en dat de bewuste passage heeft bijgedragen aan zijn ontslag. Hij vordert schadevergoeding uit hoofde van wanprestatie dan wel onrechtmatige daad.

De rechtbank wijst de vorderingen af. Voor zover de vorderingen zijn gericht tegen de communicatieadviseur en de advocaat persoonlijk, geldt dat [eiser] geen overeenkomsten met hen persoonlijk heeft gesloten, maar met hun vennootschappen. De persoonlijke vorderingen tegen hen stranden bovendien omdat onvoldoende is gesteld om bestuurdersaansprakelijkheid aan te nemen: van een persoonlijk ernstig verwijt aan de bestuurders is geen sprake. De rechtbank beoordeelt vervolgens of de vennootschappen zijn tekortgeschoten in hun verplichtingen. Bij de vennootschap van de advocaat geldt daarbij de maatstaf of de advocaat heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Suboptimaal handelen is daarvoor onvoldoende; vereist is een duidelijk ondermaats optreden of een evidente omissie. Ook ten aanzien van de vennootschap van de communicatieadviseur ziet de rechtbank geen tekortschieten dat contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid kan dragen. Volgens de rechtbank is van zodanig ondermaats handelen geen sprake. De conceptreacties zijn opgesteld op basis van de informatie die [eiser] zelf aan zijn adviseurs had gegeven. [eiser] heeft bovendien op de concepten gereageerd en wijzigingen voorgesteld, waaronder de wijziging van “schoonzus” naar “aangetrouwd familielid”. Dat het woord “kennelijk” uiteindelijk niet in het commentaar is opgenomen, maakt de advisering niet ondeugdelijk. Voor zover [eiser] stelt dat hij door de bewuste passage is ontslagen, volgt de rechtbank hem daarin evenmin. Uit de stukken van [bedrijf] blijkt volgens de rechtbank niet dat die passage redengevend was voor het ontslag. De rechtbank concludeert daarom dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij ondeugdelijk is geadviseerd. Evenmin is voldoende onderbouwd dat de bewuste passage tot zijn ontslag en de door hem gestelde schade heeft geleid. De rechtbank wijst alle vorderingen af en veroordeelt [eiser] in de proceskosten, begroot op € 4.490 voor de communicatieadviseur en diens vennootschap en € 5.143 voor de advocaat en diens vennootschap, te vermeerderen met wettelijke rente als niet tijdig wordt betaald.

5.26. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] – als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat – zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover hem. Dit brengt mee dat de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] (zie hiervoor 4.1 onder 1 tot en met 6, 9 en 10) moeten worden afgewezen.