Gepubliceerd op maandag 19 oktober 2026
IT 5601
Rechtbank Noord-Nederland ||
16 okt 2026,
Rechtbank Noord-Nederland 16 okt 2026,, IT 5601; ECLI:NL:RBNNE:2026:4470 ([eiser] tegen LC), https://itenrecht.nl/artikelen/leeuwarder-courant-hoeft-kritisch-artikel-over-snackbarhouder-niet-te-verwijderen

Leeuwarder Courant hoeft kritisch artikel over snackbarhouder niet te verwijderen

Rb. Noord-Nederland 16 oktober 2026, IEF 23935; IT 5601; ECLI:NL:RBNNE:2026:4470 ([eiser] tegen LC). Een horecaondernemer vordert in kort geding dat de Leeuwarder Courant (LC) een artikel over zijn voormalige snackbar van haar website verwijdert en rectificeert. In het artikel verklaren oud-medewerkers en leveranciers dat de ondernemer salarissen en facturen niet of te laat betaalde. Volgens de ondernemer bevat de publicatie feitelijke onjuistheden, is onvoldoende wederhoor toegepast en wordt zijn eer en goede naam aangetast. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een afweging moet plaatsvinden tussen de vrijheid van meningsuiting van LC en het recht van de ondernemer op bescherming van zijn eer, goede naam en persoonlijke levenssfeer. Daarbij weegt mee dat de ondernemer als bekende lokale horecaondernemer als publiek figuur moet worden aangemerkt en daarom meer publiciteit en kritiek moet dulden dan een willekeurig ander persoon.

De voorzieningenrechter oordeelt voorlopig dat LC voldoende zorgvuldig journalistiek onderzoek heeft verricht. De krant heeft de verklaringen van oud-medewerkers en leveranciers onderzocht en waar mogelijk getoetst aan onder meer berichtenverkeer, facturen en betalingsherinneringen. Bovendien is in het artikel voldoende duidelijk gemaakt dat het gaat om verklaringen van derden en niet om door LC als vaststaand gepresenteerde feiten. Het gebruik van anonieme bronnen maakt de publicatie niet onrechtmatig, zolang voldoende onderzoek is gedaan naar de geloofwaardigheid van hun verklaringen. Ook heeft LC ten aanzien van de beschuldigingen van oud-medewerkers en leveranciers voldoende wederhoor toegepast en de kern van het weerwoord van de ondernemer in het artikel verwerkt. Of het algemene beeld dat van de ondernemer wordt geschetst onvoldoende steun vindt in de feiten, kan zonder nader feitenonderzoek niet worden vastgesteld. Ook kan de voorzieningenrechter niet vaststellen of nader wederhoor over de rol van de voormalige uitbater tot een andere publicatie had moeten leiden. Voor dergelijk feitenonderzoek leent een kort geding zich niet. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft LC niet onrechtmatig gehandeld. De vorderingen tot verwijdering en rectificatie worden afgewezen.

5.20.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat wederhoor geen recht is, maar een journalistiek basisprincipe en dat schending daarvan op zichzelf nog geen onrechtmatig handelen oplevert.5 Uitgangspunt is dat het tot de journalistieke vrijheid behoort hoe het weerwoord in een publicatie wordt verwerkt en dat op LC geen verplichting rust om het weerwoord integraal of kritiekloos over te nemen.6 [eiser] was vanaf december 2025 op de hoogte van het journalistieke onderzoek van LC. Op 26 januari 2026 heeft [eiser] ruim een uur met een van de journalisten die het artikel heeft geschreven gesproken. Vervolgens heeft LC [eiser] op 11 juni 2026 concrete vragen voorgelegd met betrekking tot alle wezenlijke onderwerpen van de voornomen publicatie. LC is daarna nog ingegaan op de uitnodiging van [eiser] schriftelijke stukken te bekijken en heeft daarbij inzage gehad in de salarisadministratie.

5.21.

Voor zover de verwijten van [eiser] betrekking hebben op een gebrek aan wederhoor ten aanzien van de beschuldigingen die geuit zijn door ex-medewerkers en leveranciers, is de voorzieningenrechter van oordeel dat van onzorgvuldige toepassing van wederhoor en verwerking van het weerwoord van [eiser] geen sprake is. LC heeft in het artikel een voldoende evenwichtig beeld neergezet waarin de kern van het weerwoord van [eiser] - dat hij de beschuldigingen over wanbetaling en de behandeling van personeel ontkent, dat volgens hem sprake was van een professionele loonadministratie, dat eventuele betalingsvertragingen incidenteel en verklaarbaar waren en dat hij het gevoel heeft in een kwaad daglicht gesteld te worden - voldoende naar voren komt.

5.22.

Voor zover [eiser] LC een gebrek aan wederhoor verwijt ten aanzien van de uitlatingen van de voormalig uitbater overweegt de voorzieningenrechter het volgende. [eiser] heeft tijdens het gesprek met de journalist op 26 januari 2026 toegelicht dat de financiële problemen van de snackbar volgens hem grotendeels te wijten zijn aan de vorige uitbater, die volgens hem fraude heeft gepleegd. [eiser] heeft daarbij aan de journalist verklaard dat hij deze beschuldigingen met bewijs kon onderbouwen. LC heeft [eiser] vervolgens op 11 juni 2026 vragen voorgelegd, waarbij één van de vragen luidde: “Waarom bent u dit jaar weggegaan bij [bedrijf 7] en waarom is de zaak in januari uiteindelijk ook gesloten? Volgens [bedrijf 7] was de sluiting noodzakelijk. Hoe kijkt u daarnaar? Liep de snackbar goed?”. De advocaat van [eiser] heeft hierop geantwoord: “Ten aanzien van de beëindiging van de exploitatie van [bedrijf 7] en de sluiting van de vestiging in januari geldt dat dit een beslissing van cliënt is geweest, genomen naar aanleiding van omstandigheden die voortzetting van de exploitatie niet langer wenselijk maakten. (…) De sluiting houdt verband met bedrijfseconomische en externe factoren en vormt geen aanwijzing voor structureel disfunctioneren van de onderneming.” De advocaat van [eiser] heeft daarbij aangeboden zijn standpunt nader toe te lichten en met stukken te onderbouwen. LC heeft daarop gevraagd naar de loonadministratie en ‘bijbehorende documentatie’. Vervolgens zijn de journalisten van LC ingegaan op de uitnodiging van [eiser] om schriftelijke stukken in te zien. Vaststaat dat zij daarbij alleen de salarisadministratie hebben ingezien; volgens LC omdat andere stukken hen niet ter inzage zijn aangeboden, volgens [eiser] omdat LC geen interesse had in andere stukken. Had LC wel navraag gedaan naar de situatie met betrekking tot de voormalig eigenaar dan stelt [eiser] dat hij met stukken had kunnen onderbouwen dat de reden van de sluiting van de snackbar was gelegen in de fraude die de voormalig uitbater heeft gepleegd. Dit zou volgens [eiser] een ander licht werpen op de uitlatingen zoals die nu in het artikel zijn gedaan door de voormalig uitbater.

5.23.

De voorzieningenrechter constateert dat LC in de fase voorafgaand aan publicatie van het artikel niet concreet gevraagd heeft naar stukken die het standpunt van [eiser] onderbouwen dat de voormalig uitbater belastingfraude heeft gepleegd en dat daarin de oorzaak van de financiële problemen van de snackbar is gelegen. [eiser] had dit in het telefoongesprek van januari 2026 en in de brief van zijn advocaat van 16 juni 2026 wel aangeboden. Dat, zoals [eiser] stelt, LC niet over had kunnen gaan tot publicatie van het artikel indien zij wel verder navraag bij [eiser] had gedaan naar de situatie met de voormalig eigenaar, kan de voorzieningenrechter in het kader van dit kort geding echter niet vaststellen. De stukken waarop [eiser] zich ter onderbouwing hiervan heeft beroepen - een ongetekend addendum op de koopovereenkomst met de voormalig uitbater waarin hem een korting op de koopprijs wordt verleend en Whatsapp-berichten waarin verschillende buitenlandse ex-werknemers [eiser] vragen of het mogelijk is zonder contract bij hem te komen werken - zijn hiertoe onvoldoende. Om vast te kunnen stellen of nadere wederhoor op dit punt tot het gevolg zou hebben geleid dat LC het artikel niet op deze manier heeft mogen publiceren, is nader (feiten)onderzoek nodig waarvoor de onderhavige kort gedingprocedure zich niet leent.