Gepubliceerd op dinsdag 14 april 2026
IT 5196
Rechtbank Den Haag ||
6 mrt 2026
Rechtbank Den Haag 6 mrt 2026, IT 5196; ECLI:NL:RBDHA:2026:6465 (Agnicio tegen Delfluent), https://itenrecht.nl/artikelen/kort-geding-biedt-geen-oplossing-voor-complex-ict-project-partijen-naar-bodemprocedure

Kort geding biedt geen oplossing voor complex ICT-project: partijen naar bodemprocedure

Rb. Den Haag 6 maart 2026, IT 5196; ECLI:NL:RBDHA:2026:6465 (Agnicio tegen Delfluent). In dit kort geding staat een geschil centraal over een omvangrijk ICT-project gericht op de ontwikkeling van AI-toepassingen voor waterzuiveringsinstallaties. Zowel de vorderingen van de IT-dienstverlener (hierna: Agnicio) tot betaling van openstaande facturen en meerwerk, als de tegenvorderingen van opdrachtgever Delfluent tot terugbetaling van reeds betaalde bedragen worden afgewezen. Wel worden een verbod op het gebruik van data en de opheffing van gelegde beslagen toegewezen. Partijen sloten een overeenkomst voor een AI-project met een geschatte waarde van €610.000, waarbij discussie ontstond over de exacte inhoud van de opdracht, de betalingsvoorwaarden en de omvang van het werk. Agnicio factureerde in totaal 100% van het bedrag, waarvan Delfluent 75% betaalde. De laatste 25% en aanvullende kosten (meerwerk en cloudkosten) bleven onbetaald. Agnicio vorderde betaling van deze bedragen en stelde dat sprake was van een overeenkomst op basis van nacalculatie en dat Delfluent ten onrechte de overeenkomst had ontbonden. Delfluent betwistte dit en voerde aan dat de overeenkomst nog niet (volledig) was uitgevoerd, dat facturen nog niet opeisbaar waren en dat reeds betaalde bedragen deels onverschuldigd waren.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij geldvorderingen in kort geding een hoge drempel geldt: alleen wanneer de vordering met grote mate van waarschijnlijkheid in een bodemprocedure zal slagen, kan toewijzing volgen. Daarvan is hier geen sprake. De rechter acht onvoldoende duidelijk welke afspraken precies zijn gemaakt over de scope van het project, de betalingsstructuur en het eventuele meerwerk. Deze onduidelijkheden lenen zich niet voor beoordeling in kort geding, mede omdat bewijslevering (zoals getuigenverhoren) nodig zou zijn. De vorderingen van Agnicio worden daarom afgewezen. Ook de reconventionele geldvorderingen van Delfluent, gebaseerd op onverschuldigde betaling en ontbinding, stranden om dezelfde reden: onvoldoende aannemelijkheid dat deze in een bodemprocedure zullen slagen. De vraag of de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden en of sprake is van gebrekkige prestaties vereist namelijk nadere bewijsvoering. Wel wijst de rechtbank enkele andere vorderingen van Delfluent toe. Zo moet Agnicio stoppen met het gebruik van door Delfluent aangeleverde gegevens (bijvoorbeeld in demonstratievideo’s), nu daartegen geen verweer is gevoerd. Daarnaast worden de door Agnicio gelegde conservatoire beslagen opgeheven, omdat Delfluent voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij verhaal biedt en het beslag haar onevenredig belemmert.

4.1 De vorderingen van Agnicio hebben betrekking op betaling van onbetaalde facturen, meerwerk en het gebruik van de Azure cloud. Het verweer van Delfluent komt er in de kern op neer dat de facturen nog niet opeisbaar waren en er geen rechtsgrond is voor de overige bedragen.

4.2 De voorzieningenrechter stelt het volgende voorop. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter moet onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is. Dat betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter haar zal toewijzen. Daarnaast moet sprake zijn van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de voorzieningenrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.