11 mei 2026,
Korpschef motiveert gedeeltelijke weigering van inzage in politiegegevens onvoldoende
Rb. Midden-Nederland 11 mei 2026, IT 5424; ECLI:NL:RBMNE:2026:4326 (eisers tegen korpschef van politie). Twee eisers verzochten de korpschef op grond van de Wet politiegegevens om inzage in de politiegegevens die over hen worden verwerkt. De korpschef wees de inzageverzoeken bij besluiten van 11 juli 2025 gedeeltelijk af. Hij beriep zich daarbij op art. 27 lid 1 Wpg: het vermijden van belemmering van gerechtelijke onderzoeken of procedures (onder a), het vermijden van nadelige gevolgen voor de voorkoming, opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen (onder b), de bescherming van de rechten en vrijheden van derden (onder d) en de bescherming van de nationale veiligheid (onder e). Omdat eisers de toepassing van de d-grond niet bestreden, beoordeelt de rechtbank alleen de gronden onder a, b en e. Volgens art. 27 lid 2 Wpg moet een gehele of gedeeltelijke afwijzing schriftelijk worden gemotiveerd. Daaraan heeft de korpschef niet voldaan: de motivering kwam volgens de rechtbank in wezen neer op een herhaling van de wettelijke weigeringsgronden en maakte niet duidelijk waarom gedeeltelijke weigering in dit concrete geval noodzakelijk was. Ook de brieven die bij de vertrouwelijke stukken waren gevoegd, boden daarvoor onvoldoende concrete motivering. Daarnaast had de korpschef geen kenbare en toetsbare belangenafweging gemaakt waaruit bleek waarom het belang bij weigering zwaarder woog dan het belang van eisers bij inzage.
De rechtbank verwerpt wel het betoog dat de door de korpschef uitgevoerde zoekslag onvolledig was, omdat eisers daarvoor geen concrete aanknopingspunten hadden aangevoerd. De beroepen tegen de besluiten van 11 juli 2025 zijn gegrond en de besluiten worden wegens het motiveringsgebrek vernietigd. De korpschef moet binnen zes weken nieuwe besluiten nemen en daarbij concreet motiveren waarom een eventuele gedeeltelijke weigering op grond van art. 27 lid 1 onder a, b en e Wpg noodzakelijk én evenredig is. De rechtbank laat de rechtsgevolgen niet in stand, voorziet niet zelf in de zaak en past ook geen bestuurlijke lus toe. Verder merkt zij op dat uit de overgelegde ongelakte stukken niet viel af te leiden welke gegevens op grond van welke weigeringsgrond waren afgeschermd. Ook de gelakte versies waarin eisers wél inzage hadden gekregen, hadden als op de zaak betrekking hebbende stukken op grond van art. 8:42 Awb moeten worden overgelegd. Voor zover nodig kan de korpschef daarvoor gemotiveerd een beroep doen op art. 8:29 Awb. De afzonderlijke beroepen tegen het niet tijdig beslissen zijn niet-ontvankelijk, omdat de korpschef inmiddels besluiten had genomen en eisers daarbij geen procesbelang meer hadden. Tot slot moet de korpschef € 388 aan griffierecht en € 2.335 aan proceskosten vergoeden.
11. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten een motiveringsgebrek bevatten. Dit betekent dat eisers gelijk krijgen en de gedeeltelijke afwijzing van de inzageverzoeken niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf een beslissing over de inzageverzoeken te nemen. Dit omdat de korpschef opnieuw zal moeten motiveren waarom de gedeeltelijke afwijzing op grond van artikel 27, eerste lid, onder a, b en e van de Wpg in het geval van eisers een noodzakelijke en evenredige maatregel is. Ook draagt de rechtbank niet aan de korpschef op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
11.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de korpschef een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de korpschef hiervoor zes weken.
11.2.
De rechtbank merkt daarbij nog op dat de korpschef ongelakte vertrouwelijke stukken heeft overgelegd waarbij de geweigerde gegevens van kaders zijn voorzien. Met deze kaders wordt echter niet duidelijk welke gegevens zijn gelakt op grond van welke afwijzingsgrond. De rechtbank kan de noodzaak van de afwijzing op deze manier dan ook niet beoordelen. Daarnaast heeft de korpschef niet de gelakte stukken overgelegd waarin eisers wel inzage hebben gekregen zodat de rechtbank niet kan controleren of de inzage juist is geweest. De gelakte stukken zijn namelijk net als de ongelakte stukken op de zaak betrekking hebbende stukken zoals bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. De korpschef had deze stukken dus moeten overleggen. De korpschef kan in dit geval voor de gelakte stukken ook (gemotiveerd) een beroep doen op vertrouwelijkheid op grond van artikel 8:29 van de Awb. Dat laatste geldt ook voor de motivering van de noodzaak en evenredigheid van de afwijzing in het geval de korpschef dat nodig zou vinden. De korpschef zal daarvoor afzonderlijk en expliciet een beroep op vertrouwelijkheid moeten doen, waarna de rechtbank zal beslissen of dat verzoek om vertrouwelijkheid gerechtvaardigd is.
11.3.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet de korpschef het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten.
De korpschef moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. In dit geval is sprake van samenhangende zaken zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Voor de toepassing van het Bpb worden samenhangende zaken beschouwd als één zaak. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift voor het niet tijdig beslissen en beroepschrift met inhoudelijke gronden ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Het gewicht voor het beroepschrift voor het niet tijdig beslissen is licht (0,5) en voor de overige proceshandelingen gemiddeld (1). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.335,-.