Gepubliceerd op donderdag 5 november 2026
IT 5629
Rechtbank Amsterdam ||
15 sep 2026,
Rechtbank Amsterdam 15 sep 2026,, IT 5629; ECLI:NL:RBAMS:2026:9255 ([verdachte] tegen de Officier van Justitie), https://itenrecht.nl/artikelen/koppelen-van-bankpassen-aan-google-pay-levert-niet-zonder-meer-computervredebreuk-op

Koppelen van bankpassen aan Google Pay levert niet zonder meer computervredebreuk op

Rb. Amsterdam 15 september 2026, IT 5629; ECLI:NL:RBAMS:2026:9255 ([verdachte] tegen de Officier van Justitie). In deze zaak tegen [verdachte] staat de vraag centraal of het koppelen van betaalpassen van slachtoffers aan Google Pay computervredebreuk oplevert. [verdachte] is betrokken bij een reeks bankhelpdeskfraudes waarbij slachtoffers via misleidende sms-berichten en telefoongesprekken ertoe worden gebracht hun bankgegevens en verificatiecodes af te geven. Met deze gegevens worden hun betaalpassen gekoppeld aan Google Pay op telefoons die [verdachte] gebruikt. Vervolgens worden betalingen verricht ten laste van de bankrekeningen van de slachtoffers en wordt de opbrengst via de aankoop en uitbetaling van waardebonnen witgewassen.

De rechtbank oordeelt dat computervredebreuk niet kan worden bewezen. Daarvoor is vereist dat opzettelijk en wederrechtelijk wordt binnengedrongen in een geautomatiseerd werk of een deel daarvan. Volgens de rechtbank blijkt uit het dossier niet dat het koppelen van betaalpassen aan Google Pay of het gebruik daarvan een directe verbinding met de servers van de betrokken banken tot stand brengt. Dat de bank een Payment Device ID opslaat, is onvoldoende om vast te stellen dat daadwerkelijk in een geautomatiseerd werk van de bank is binnengedrongen. Wel acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan oplichting, diefstal door middel van een valse sleutel en gewoontewitwassen. Hoewel [verdachte] niet zelf met de slachtoffers heeft gesproken, vervulde hij een belangrijke rol bij de voorbereiding, uitvoering en afscherming van de fraude. Hij regelde telefoons, verrichtte betalingen met de gekoppelde bankpassen en zorgde ervoor dat de opbrengsten moeilijker traceerbaar waren. Daarmee was sprake van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededaders. De rechtbank veroordeelt [verdachte] tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar. Daarnaast worden verschillende schadevergoedingsvorderingen toegewezen, waaronder een bedrag van € 16.849 aan ABN AMRO wegens schade die de bank heeft vergoed en kosten die zij heeft gemaakt om de schade vast te stellen.

Vrijspraak computervredebreuk

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de onder 2 ten laste gelegde computervredebreuk en overweegt daartoe als volgt.

Uit het dossier is gebleken dat verschillende bankpassen van slachtoffers aan de Google Pay applicatie van de door verdachte gebruikte telefoon(s) zijn gekoppeld. Hierdoor kon verdachte met zijn telefoon betalingen verrichten ten laste van de betaalrekeningen van de slachtoffers. Voor een bewezenverklaring van computervredebreuk is vereist dat iemand opzettelijk en wederrechtelijk binnendringt in een geautomatiseerd werk of in een deel daarvan. De officier van justitie heeft in repliek gesteld dat door verdachte in het geautomatiseerde werk van de banken is binnengedrongen door die bankpassen toe te voegen aan de Google Pay applicatie op de door hem gebruikte telefoon(s). Die stelling vindt echter geen steun in het dossier. Voor een bewezenverklaring is vereist dat kan worden vastgesteld dat door het koppelen van de betaalkaart aan Google Pay, systemen of applicaties op een of meerdere servers van de bank zijn benaderd. Uit het dossier volgt echter slechts dat de bank een ‘Payment Device ID’ opslaat. Niet blijkt dat het koppelen van Google Pay aan een betaalkaart, of het gebruik van die betaalkaart met Google Pay, een directe verbinding met de servers van de bank tot stand brengt. Daarom kan niet worden vastgesteld dat door het koppelen van Google Pay aan de betaalkaarten op enige wijze in een geautomatiseerd werk van de bank is binnengedrongen. De rechtbank komt daarom niet tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit.