27 okt 2025
Inzageverzoek AVG: geen verdere persoonsgegevens aangetoond, de bewijslast ligt bij verzoeker
Rb. Rotterdam 27 oktober 2025, IT 5062; ECLI:NL:RBROT:2025:13134 ([eiser] tegen het college van B&W Rotterdam). [eiser] verzocht de gemeente Rotterdam op grond van artikel 15 AVG om inzage in zijn persoonsgegevens, nadat hij via de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens had vernomen dat zijn gegevens op 2 juni 2022 uit de BRP waren geraadpleegd. Het college stelde na onderzoek dat, met uitzondering van de gegevens die zijn verwerkt in verband met het inzageverzoek zelf, geen andere persoonsgegevens van eiser in de gemeentelijke systemen waren verwerkt. Bezwaar en beroep volgden.
Uit vaste rechtspraak volgt dat, wanneer een bestuursorgaan na onderzoek verklaart dat geen verdere persoonsgegevens zijn verwerkt en die verklaring niet ongeloofwaardig is, het aan de verzoeker is om aannemelijk te maken dat dit anders is. De rechtbank acht de uitleg van het college geloofwaardig omdat alle relevante systemen (e-suite en Octopus) zijn doorzocht, de loggegevens van e-suite worden na 18 maanden gewist, zodat de raadpleging van 2 juni 2022 niet meer traceerbaar is, de vermelding van eiser in dossiers van de Stichting betreft slechts zijn rol als gemachtigde en [eiser] heeft geen concrete aanknopingspunten aangedragen voor aanvullende verwerkingen. De vraag of de raadpleging van 2 juni 2022 onrechtmatig was, valt buiten de reikwijdte van het inzageverzoek en loopt in een aparte klachtenprocedure. Het beroep van [eiser] is ongegrond.
5.2 De rechtbank acht de mededeling van het college dat er in de doorzochte systemen niet meer persoonsgegevens zijn verwerkt dan is vermeld niet ongeloofwaardig. Het college heeft in de primaire fase het systeem voor publiekrechtelijke taken, e-suite, doorzocht. In de bezwaarprocedure is ook Octopus, het systeem van de juridische afdeling, doorzocht. Het college heeft uitgelegd dat er geen gegevens over de inkijk op 2 juni 2022 zijn aangetroffen omdat de loggegevens in e-suite gedurende 18 maanden worden bewaard. Omdat het inzageverzoek van eiser na deze 18 maanden is gedaan, kan niet meer worden achterhaald welke gegevens daadwerkelijk zijn ingezien en wie de aanvraag naar gegevens van eiser heeft gedaan. Enkel is zichtbaar dat er een inkijk is geweest. In het verweerschrift heeft het college dit nader onderbouwd met een verwijzing naar de ‘handreiking gebruik selectielijst’. De rechtbank ziet geen aanleiding het college niet te volgen. De enkele en niet onderbouwde stelling van eiser dat de bewaartermijn voor log-gegevens in e-suite vijf jaar is, is daartoe onvoldoende. Verder heeft het college uitgelegd dat eisers naam in Octopus niet naar voren komt omdat de zaken waarin eiser als gemachtigde optreedt op naam van de Stichting geregistreerd staan. Pas na het openen van die zaakdossiers komt de naam van eiser tevoorschijn, uitsluitend als ondertekenaar/gemachtigde van de bezwaar-/beroepschriften. Omdat eiser al bekend is met deze stukken heeft het college volstaan met een opsomming van de zaken die op naam van de Stichting staan. De rechtbank kan zich hier in vinden.