Gepubliceerd op vrijdag 9 januari 2026
IT 5059
HvJ EU ||
13 nov 2025
HvJ EU 13 nov 2025, IT 5059; ECLI:EU:C:2025:871 (Inteligo Media tegen ANSPDCP), https://itenrecht.nl/artikelen/hvjeu-beantwoordt-prejudiciele-vragen-over-het-begrip-communicatie

HvJEU beantwoordt prejudiciële vragen over het begrip "communicatie"

HvJEU 13 november 2025, IT 5059; ECLI:EU:C:2025:871 (Inteligo Media tegen ANSPDCP). Inteligo Media is de uitgever van het onlinetijdschrift avocatnet.ro, dat bestemd is om een breed en niet juridisch gespecialiseerd publiek te informeren over de dagelijkse wetswijzigingen in Roemenië. In een geschil met de Roemeense toezichthouder (ANSPDCP) werden er vragen gesteld aan het Hof: 

1)      In het geval dat een uitgever van een onlinetijdschrift waarmee een breed en niet-gespecialiseerd publiek wordt geïnformeerd over de dagelijks in Roemenië doorgevoerde wetswijzigingen, het e-mailadres van een gebruiker verkrijgt wanneer deze een gratis gebruikersaccount aanmaakt, waarmee deze gebruiker i) gratis toegang krijgt tot aanvullende artikelen van het betrokken tijdschrift, ii) dagelijks per e-mail een nieuwsbrief ontvangt met een samenvatting van de nieuwe wetgeving die in de artikelen van het tijdschrift wordt behandeld, met hyperlinks naar die artikelen, en iii) tegen betaling toegang krijgt tot aanvullende en/of uitgebreidere artikelen en analysen van dit tijdschrift dan in de gratis dagelijkse nieuwsbrief, 

a)      is dat e-mailadres dan door die uitgever verkregen ‚in het kader van de verkoop van een product of een dienst’ in de zin van artikel 13, lid 2, van richtlijn [2002/58]? 

b)      is de verzending door die uitgever van een nieuwsbrief zoals beschreven in punt ii) dan ‚direct marketing van eigen gelijkaardige producten of diensten’ in de zin van artikel 13, lid 2, van richtlijn [2002/58]? 

2)      Indien op de eerste vraag onder a) en b) bevestigend wordt geantwoord: welke van de voorwaarden in artikel 6, lid 1, onder a) tot en met f), AVG zijn van toepassing wanneer de uitgever het e‑mailadres van de gebruiker aanwendt voor het verzenden van een dagelijkse nieuwsbrief als beschreven in de eerste vraag, onder ii), overeenkomstig de vereisten van artikel 13, lid 2, van richtlijn [2002/58]? 

3)      Moet artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2002/58 aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling waarin het begrip ‚commerciële communicatie’ zoals gedefinieerd in artikel 2, onder f), van richtlijn [2000/31] wordt gebruikt, in plaats van het begrip ‚direct marketing’ zoals gedefinieerd in richtlijn [2002/58]? Indien het antwoord ontkennend luidt: vormt de in de eerste vraag, onder ii), omschreven nieuwsbrief een ‚commerciële communicatie’ in de zin van artikel 2, onder f), van richtlijn [2000/31]? 

4)      Indien op de eerste vraag, onder a) en b), ontkennend wordt geantwoord: 

a)      vormt de verzending per e-mail van een dagelijkse nieuwsbrief zoals beschreven in de eerste vraag, onder ii), ‚gebruik van [...] e‑mail met het oog op direct marketing’ in de zin van artikel 13, lid 1, van richtlijn [2002/58], of 

b)      moet artikel 95 [AVG] juncto artikel 15, lid 2, van richtlijn [2002/58] aldus worden uitgelegd dat het niet voldoen aan de voorwaarde dat geldige toestemming van de gebruiker moet zijn verkregen in de zin van artikel 13, lid 1, van richtlijn [2002/58] wordt bestraft overeenkomstig artikel 83 [AVG], of dat dit feit wordt bestraft overeenkomstig de nationaalrechtelijke bepalingen van de regeling waarbij richtlijn [2002/58] is omgezet, die zelf ook specifieke toepasselijke sancties bevat? 

5)      Moet artikel 83, lid 2, [AVG] aldus worden uitgelegd dat een toezichthoudende autoriteit die beslist over het al of niet opleggen van een bestuurlijke geldboete en de hoogte daarvan, voor elk individueel geval in de sanctiebeslissing moet analyseren en motiveren welk gevolg elk van de criteria onder a) tot en met k) van die bepaling heeft gehad voor de beslissing om een geldboete op te leggen en, respectievelijk, voor de beslissing inzake de hoogte van die geldboete?” 

Volgens het Hof moet moet op de eerste vraag en de vierde vraag, onder a), worden geantwoord dat artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2002/58 moet worden uitgelegd dat de uitgever van een onlinetijdschrift het e-mailadres van een gebruiker verkrijgt „in het kader van de verkoop van een product of een dienst” in de zin van dat artikel 13, lid 2, wanneer deze gebruiker op het onlineplatform van die uitgever een gratis account aanmaakt dat hem het recht geeft op gratis toegang tot een aantal artikelen van dat tijdschrift, op gratis ontvangst per e-mail van een dagelijkse nieuwsbrief met een samenvatting van de in artikelen van dat tijdschrift behandelde wetswijzigingen inclusief hyperlinks naar die artikelen, alsmede het recht op toegang, tegen betaling, tot aanvullende artikelen en analysen van dat tijdschrift. De verzending van een dergelijke nieuwsbrief vormt een gebruik van e‑mail „voor direct marketing” van „gelijkaardige producten of diensten” in de zin van laatstgenoemde bepaling. Op  de tweede vraag moet worden geantwoord dat artikel 13, lid 2, van richtlijn 2002/58, gelezen in samenhang met artikel 95 AVG, aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de verwerkingsverantwoordelijke overeenkomstig dat artikel 13, lid 2, het e-mailadres van een gebruiker aanwendt om ongewenste communicatie te verzenden, de in artikel 6, lid 1, van deze verordening gestelde voorwaarden voor rechtmatige verwerking niet van toepassing zijn. Het hof acht de derde vraag niet ontvankelijk, de andere vragen hoeven niet beantwoord te worden.

76. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. 

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht: 

1)      Artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009, 

moet aldus worden uitgelegd dat 

de uitgever van een onlinetijdschrift het e-mailadres van een gebruiker verkrijgt „in het kader van de verkoop van een product of een dienst” in de zin van dat artikel 13, lid 2, wanneer deze gebruiker op het onlineplatform van die uitgever een gratis account aanmaakt dat hem het recht geeft op gratis toegang tot een aantal artikelen van dat tijdschrift, op gratis ontvangst per e-mail van een dagelijkse nieuwsbrief met een samenvatting van de in artikelen van dat tijdschrift behandelde wetswijzigingen inclusief hyperlinks naar die artikelen, alsmede het recht op toegang, tegen betaling, tot aanvullende artikelen en analysen van dat tijdschrift. De verzending van een dergelijke nieuwsbrief vormt een gebruik van e-mail „voor direct marketing” van „gelijkaardige producten of diensten” in de zin van laatstgenoemde bepaling. 

2)      Artikel 13, lid 2, van richtlijn 2002/58, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136, gelezen in samenhang met artikel 95 van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), 

moet aldus worden uitgelegd dat 

wanneer de verwerkingsverantwoordelijke overeenkomstig dat artikel 13, lid 2, het e-mailadres van een gebruiker aanwendt om ongewenste communicatie te verzenden, de in artikel 6, lid 1, van deze verordening gestelde voorwaarden voor rechtmatige verwerking niet van toepassing zijn. 

3)      De derde vraag van de Curte de Apel București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) is niet-ontvankelijk.