10 sep 2026,
HvJ EU: telecomaanbieder ontleent aan Europees wetboek geen zelfstandig recht tot eenzijdige contractswijziging
HvJ EU 10 september 2026, IEF 5514; ECLI:EU:C:2026:736 (Modification unilatérale des conditions contractuelles). Het Hof van Justitie oordeelt dat artikel 105 lid 4, eerste alinea, van Richtlijn (EU) 2018/1972 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie een aanbieder van elektronischecommunicatiediensten geen zelfstandig recht verleent om contractvoorwaarden eenzijdig te wijzigen. Die bepaling vooronderstelt dat een dergelijk wijzigingsrecht reeds uit andere toepasselijke regels voortvloeit en regelt uitsluitend het bijzondere recht van de eindgebruiker om de overeenkomst zonder extra kosten te beëindigen wanneer de aanbieder dat wijzigingsrecht uitoefent. Dat beëindigingsrecht geldt niet wanneer de voorgestelde wijziging uitsluitend in het voordeel van de eindgebruiker is, strikt administratief van aard is en geen negatieve gevolgen heeft, of rechtstreeks door het Unie- of nationale recht wordt opgelegd. Uit de tekst, context en doelstelling van artikel 105 volgt volgens het Hof dat deze bepaling ziet op de bescherming en beëindigingsrechten van eindgebruikers en niet op de rechtsgrondslag voor of voorwaarden van een eenzijdige contractswijziging.
De vraag onder welke voorwaarden een aanbieder zich een eenzijdig wijzigingsrecht mag voorbehouden, wordt beheerst door andere toepasselijke regels van Unierecht en nationaal recht. Voor consumentenovereenkomsten is daarbij onder meer Richtlijn 93/13 over oneerlijke bedingen relevant. Een wijzigingsbeding moet volgens de rechtspraak van het Hof onder meer voldoen aan eisen van goede trouw, evenwicht en transparantie. Het sectorspecifieke beëindigingsrecht uit Richtlijn 2018/1972 komt bovenop die overige consumentenbescherming en vervangt die niet. Een uitleg waarbij artikel 105 lid 4 zelf een wijzigingsbevoegdheid zou creëren, zou ertoe kunnen leiden dat de voorwaarden uit het algemene consumentenrecht worden omzeild en is daarom onverenigbaar met de doelstelling van de richtlijn. Het Hof verklaart dan ook voor recht dat artikel 105 lid 4 enkel het beëindigingsrecht van de eindgebruiker regelt wanneer een op andere regels gebaseerd eenzijdig wijzigingsrecht wordt uitgeoefend.
Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 105, lid 4, eerste alinea, van richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie
moet aldus worden uitgelegd dat
het aanbieders van andere voor het publiek beschikbare elektronische communicatiediensten dan nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten niet het recht verleent om de contractvoorwaarden eenzijdig te wijzigen, maar dat het het bestaan van een dergelijk recht krachtens andere toepasselijke regels vooronderstelt en enkel het beëindigingsrecht van de eindgebruiker regelt wanneer de aanbieder dit recht tot eenzijdige wijziging uitoefent, onverminderd de voorwaarden en vereisten waarin het Unierecht en het nationale recht inzake consumentenbescherming te dien einde voorzien.