1 sep 2026,
Gerechtvaardigd belang bij interne verwerking persoonsgegevens om contact met klant te beëindigen
Rb. Zeeland-West-Brabant 1 september 2025, IT 5600; ECLI:NL:RBZWB:2025:6016 (eiser tegen de AP). Eiser heeft bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) een klacht ingediend over de verwerking van zijn persoonsgegevens door een bedrijf waarmee hij een civielrechtelijk geschil had over de plaatsing van een cv-ketel. Het bedrijf wilde niet langer met eiser in contact treden en had vermoedelijk zijn medewerkers geïnstrueerd niet meer op zijn contactpogingen te reageren. Volgens de AP is aannemelijk dat het bedrijf daarbij persoonsgegevens intern verwerkt. De AP besloot geen handhavende maatregel op te leggen, omdat zij de klacht in passende mate had onderzocht en een schending van de AVG niet aannemelijk achtte. Eiser betwist dat sprake is van een gerechtvaardigd belang en stelt onder meer dat de verwerking niet uitsluitend intern plaatsvindt, omdat het bedrijf ook zijn leverancier bij het geschil heeft betrokken.
De rechtbank oordeelt dat het bedrijf op grond van artikel 6 lid 1, onder f, AVG een gerechtvaardigd belang heeft bij de verwerking van eisers persoonsgegevens. Het civiele geschil is beëindigd en het bedrijf heeft meerdere malen aangegeven geen contact meer met eiser te willen onderhouden. Wie in het civiele geschil gelijk heeft, is voor de beoordeling op grond van de AVG niet relevant. Verder heeft eiser niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd dat de verwerking verder gaat dan een interne registratie. Uit de stukken blijkt niet dat eiser op een zwarte lijst staat of dat zijn persoonsgegevens met derden worden gedeeld. De rechtbank overweegt dat de AP op grond van artikel 57 lid 1, onder f, AVG beleidsvrijheid heeft bij het onderzoeken van klachten en daarbij rekening mag houden met haar beperkte capaciteit en prioriteringscriteria. De AP heeft de klacht in passende mate onderzocht en hoefde geen nader onderzoek te verrichten. De interne verwerking van eisers persoonsgegevens in verband met de contactinstructie is volgens de rechtbank niet in strijd met artikel 6 AVG. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
8.1.
De AP heeft de klacht van eiser in behandeling genomen als verzoek om handhavend op te treden tegen [bedrijf] wegens vermeende onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens. De verwerking van de persoonsgegevens hangt samen met de (vermoedelijke) instructie van [bedrijf] aan haar medewerkers om geen contact meer met eiser op te nemen.
8.2.
De rechtbank overweegt dat de AP beleidsvrijheid heeft om al dan niet handhavend op te treden. De AP heeft in haar verweerschrift toegelicht dat zij jaarlijks duizenden AVG-klachten ontvangt en beschikt over een beperkte capaciteit. De AP kan klachten vaak niet, of niet op alle onderdelen, uitgebreid onderzoeken en moet daarin keuzes maken. Daarbij maakt de AP gebruik van prioriteringscriteria. De rechtbank overweegt dat de AP deze ruimte heeft op grond van artikel 57, eerste lid, onder f, van de AVG, waarin is neergelegd dat de inhoud van de klacht wordt onderzocht in de mate waarin dat gepast is.
8.3.
Voor zover bij het niet langer inhoudelijk reageren op de berichten van eiser sprake is van de verwerking van persoonsgegevens, wijst de AP op de grondslag van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f van de AVG. Dit is de verwerkingsgrondslag van het gerechtvaardigd belang.
Gerechtvaardigd belang
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een gerechtvaardigd belang voor het verwerken van eisers persoonsgegevens door [bedrijf] op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f van de AVG. Dit belang is gelegen in het feit dat het civiele geschil is beëindigd en [bedrijf] daarom geen contact meer wil onderhouden met eiser. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [bedrijf] meerdere malen heeft aangegeven dat zij geen contact meer wenst met eiser. Wie civielrechtelijk uiteindelijk gelijk heeft, is daarbij in het kader van de AVG niet relevant en kan ook niet worden getoetst door de bestuursrechter.
9.2.
De beroepsgrond van eiser dat hij kan aantonen dat [bedrijf] klachten niet heeft opgelost en dat het bindend advies van de Geschillencommissie tegen hem wordt gebruikt, is niet relevant voor de vraag of al dan niet sprake is van een gerechtvaardigd belang. De beroepsgrond van eiser slaagt dus niet.