Gepubliceerd op donderdag 29 oktober 2026
IT 5620
Rechtbank Zeeland-West-Brabant ||
30 sep 2026,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30 sep 2026,, IT 5620; ECLI:NL:RBZWB:2026:10018 (Bulsink c.s tegen de gemeente), https://itenrecht.nl/artikelen/gemeente-hoeft-onvolledige-aanvraag-voor-prioriteit-op-elektriciteitsnet-niet-alsnog-te-behandelen

Gemeente hoeft onvolledige aanvraag voor prioriteit op elektriciteitsnet niet alsnog te behandelen

Rb. Zeeland-West-Brabant 30 september 2026, IT 5620; ECLI:NL:RBZWB:2026:10018 (Blusink c.s. tegen de gemeente).  In deze zaak tussen Limbus Holding B.V. en Bulsink Real Estate B.V. (Bulsink c.s.) en de gemeente Loon op Zand staat de vraag centraal of de gemeente een onvolledige aanvraag voor prioriteit bij de aansluiting op het elektriciteitsnet alsnog in behandeling moet nemen. Bulsink c.s. wil een woningbouwproject met dertien of veertien appartementen realiseren. Vanwege netcongestie kunnen woningbouwprojecten op een wachtlijst voor transportcapaciteit terechtkomen. De gemeente heeft daarom een procedure vastgesteld waarmee projectontwikkelaars prioriteit kunnen aanvragen bij netbeheerder Enexis. Aanvragen moesten uiterlijk op 4 september 2026 worden ingediend en voorzien zijn van onder meer een bestuursverklaring. Bulsink c.s. diende op 31 augustus 2026 een aanvraag in, maar liet de vereiste bestuursverklaring achterwege. De gemeente wees haar op de ontbrekende stukken en bood gelegenheid deze uiterlijk op 4 september 2026 aan te leveren. Bulsink c.s. verstrekte de volledig ondertekende verklaring echter pas op 29 september 2026, waarna de gemeente weigerde het project op de prioriteringslijst te plaatsen. Bulsink c.s. stelt dat de indieningstermijn alleen betrekking had op het indienen van de aanvraag en niet op het aanvullen daarvan.

De voorzieningenrechter oordeelt dat uit de bekendmaking en de gemeentelijke beleidsregels voldoende duidelijk volgt dat aanvragen uiterlijk op 4 september 2026 volledig moesten zijn. Bij de verdeling van schaarse transportcapaciteit moet de gemeente objectieve, toetsbare en redelijke selectiecriteria hanteren en gelijke kansen voor gegadigden waarborgen. Het alsnog accepteren van de te laat ingediende bestuursverklaring zou volgens de voorzieningenrechter in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Hoewel de gevolgen voor Bulsink c.s. aanzienlijk zijn, is het ontbreken van de bestuursverklaring geen verzuim van ondergeschikt belang. De verklaring vormt de kern van de aanvraag en is noodzakelijk om te beoordelen of een project voor prioriteit in aanmerking komt. De voorzieningenrechter oordeelt dat Bulsink c.s. onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld en dat dit voor haar risico moet blijven. De vordering wordt afgewezen. Bulsink c.s. wordt hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 2.101 aan proceskosten.

5.8. Het gaat hier om de vraag hoe een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende aanvrager de door de gemeente opgestelde regels, die transparant moeten zijn, met betrekking tot de selectieprocedure en het tijdschema behoorde te begrijpen. Bij de beantwoording van deze vraag dienen de door de gemeente opgestelde stukken, hierboven geciteerd, in onderling verband en samenhang te worden bezien. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende aanvrager de mededeling in het Gemeenteblad bezien in samenhang met artikel 5 lid 2 en artikel 6 lid 3 van de beleidsregels, gelet op de duidelijke bewoordingen ervan in de tekst en in de toelichting, behoorde te begrijpen in die zin dat een aanvraag uiterlijk op 4 september 2026 diende te zijn ingediend en volledig diende te zijn. De bepaling in artikel 6 lid 3, inhoudende dat een verzoek dat onvolledig is niet in behandeling wordt genomen en dat de gemeente kan bepalen dat een mogelijkheid tot herstel van een onvolledige aanvraag wordt geboden, maar ook kan bepalen dat geen mogelijk wordt geboden tot herstel van een onvolledige aanvraag behoorde de aanvrager te begrijpen in die zin dat in geval van een vóór 4 september 2026 ingediende onvolledige aanvraag nog een termijn voor herstel kon worden gegeven, maar in geval van een aan het einde van 4 september 2026 ingediende aanvraag niet. De toelichting op de beleidsregels is daarover volstrekt duidelijk.

5.9. Nu de gemeente aan Bulsink de gelegenheid heeft geboden tot herstel tot uiterlijk 4 september 2026 en Bulsink die termijn niet heeft benut heeft Bulsink niet gehandeld conform de door de gemeente in de beleidsregels voorgeschreven selectieprocedure en tijdschema.

5.10. De gemeente zou in strijd met het door haar in acht te nemen gelijkheidsbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel handelen indien zij ondanks de geldende regels de door Bulsink op 29 september 2026 ingediende juiste bestuursverklaring zou accepteren, de aanvraag alsnog als volledig zou aanmerken en alsnog zou beoordelen. Alle aanvragers mochten erop vertrouwen dat alleen aanvragers die de door de gemeente opgestelde regels voor de selectieprocedure en het tijdschema eerbiedigen, hun ‘concurrent’ op de volgordelijst zouden worden voor het schaarse goed, prioriteit voor aansluiting en transportcapaciteit op het elektriciteitsnet.

5.11. De voorzieningenrechter onderkent dat de gevolgen voor Bulsink van het niet honoreren van haar aanvraag groot zijn. Er is hier echter geen sprake van een verzuim van ondergeschikt belang. De bestuursverklaring is de kern van de aanvraag voor prioritering. Zonder die verklaring is een aanvraag niet te beoordelen en is aldus een positie tussen andere aanvragers ook niet te bepalen. De gemeente heeft Bulsink (tweemaal, zie hierboven nummer 7) de gelegenheid geboden een volledige en deugdelijke aanvraag in te dienen. Bulsink heeft niet de zorgvuldigheid betracht die hier van haar bij het indienen van een aanvraag was te vergen. Dat moet, gelet op de toe te passen regels bij inschrijvingsprocedures als hier aan de orde, voor haar risico blijven. Het belang van de gemeente bij juiste toepassing van die regels moet hier prevaleren.