26 jan 2026,
Geen recht op inzage in politiebeelden van derde
Rb. Den Haag 26 januari 2026, IT 5436; ECLI:NL:RBDHA:2026:16953 ([eiser] tegen de Politie). In dit kort geding bepaalt de voorzieningenrechter dat [eiser] geen aanspraak kan maken op inzage in camerabeelden die door de Politie zijn veiliggesteld en waarop mogelijk te zien is wie een politiepenning in zijn brievenbus heeft gedeponeerd. [eiser], die stelt al langere tijd te worden gestalkt door [naam 1], wilde de beelden gebruiken om de identiteit van de betrokkene vast te stellen en zo nodig een civiele procedure tot verkrijging van een straat- en contactverbod te beginnen.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de beelden politiegegevens in de zin van de Wet politiegegevens (Wpg) zijn en dat op grond van art. 7 Wpg een geheimhoudingsplicht geldt, waarvan slechts kan worden afgeweken indien de Wpg verstrekking verplicht stelt of toestaat. Art. 25 Wpg biedt [eiser] geen grondslag voor inzage, nu deze bepaling uitsluitend ziet op politiegegevens die de betrokkene zelf betreffen en de gevraagde beelden juist persoonsgegevens van een derde bevatten. Om die reden zijn ook de weigeringsgronden van art. 27 Wpg niet van toepassing. Omdat art. 25 Wpg niet van toepassing is en [eiser] evenmin op een andere grond een principieel recht op verstrekking heeft, kwalificeert de weigering van de Politie als feitelijk handelen waartegen geen bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat. De civiele voorzieningenrechter is daarom bevoegd van de vordering kennis te nemen. Het door [eiser] gestelde belang bij gebruik van de beelden in een procedure tot verkrijging van een straat- en contactverbod levert bovendien voldoende spoedeisend belang op. Ook het beroep van [eiser] op art. 19 Wpg slaagt niet. Deze bepaling maakt verstrekking van politiegegevens aan derden in bijzondere gevallen slechts mogelijk voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang en ten behoeve van een van de in die bepaling genoemde doeleinden, waaronder het voorkomen en opsporen van strafbare feiten en de handhaving van de openbare orde. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat [eiser] belang heeft bij vaststelling van de identiteit van degene die de politiepenning heeft gedeponeerd en erkent dat het verkrijgen van een civielrechtelijk straat- of contactverbod enige raakvlakken kan hebben met het voorkomen van toekomstige strafbare feiten, betreft dit volgens de rechter in hoofdzaak een persoonlijk belang en geen zwaarwegend algemeen belang in de zin van art. 19 Wpg. Reeds daarom is verstrekking op die grond niet toegestaan. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat uit de beslissing van de Politie om geen strafrechtelijk onderzoek te starten redelijkerwijs kan worden afgeleid dat ook de camerabeelden onvoldoende concrete aanwijzingen bevatten om het onderzoek op een bepaalde persoon te richten; tegen het uitblijven van strafrechtelijk onderzoek staan andere rechtsmiddelen open, waaronder een beklagprocedure ex art. 12 Sv. Ook art. 12 Wpg biedt geen grondslag voor verstrekking. Nu binnen het gesloten stelsel van de Wpg geen wettelijke grondslag bestaat om van de geheimhoudingsplicht af te wijken, wordt de vordering afgewezen en wordt [eiser] veroordeeld in de proceskosten van de Politie.
4.9. Het beroep van [eiser] op artikel 19 Wpg slaagt niet. Verstrekking op grond van artikel 19 Wpg is alleen mogelijk als dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang. De voorzieningenrechter is met de Politie van oordeel dat aan dit vereiste niet is voldaan. Het is zonder meer begrijpelijk dat [eiser] wil weten wie de politiepenning in zijn brievenbus heeft gedeponeerd en dat hij – gelet op de door hem gestelde voorgeschiedenis – met die informatie civielrechtelijke stappen overweegt. In het licht hiervan heeft [eiser] een (mogelijk) persoonlijk belang bij inzage in de camerabeelden. De voorzieningenrechter wil nog wel enigszins meegaan in het betoog van [eiser] dat het door civielrechtelijke maatregelen (mogelijk) voorkomen van toekomstige strafbare feiten raakvlakken heeft met het algemeen belang, maar van een zwaarwegend algemeen kan in dit geval niet worden gesproken. De Politie heeft zich dus op grond van het gesloten stelsel van de Wpg terecht op het standpunt gesteld dat zij niet bevoegd is inzage te verlenen in de camerabeelden.
4.10. Voor de volledigheid overweegt de voorzieningenrechter nog dat de stelling dat verstrekking van de camerabeelden aan [eiser] zou bijdragen aan alle doeleinden zoals genoemd in artikel 19 Wpg hem niet baat, omdat aan de eerste vereiste voor verstrekking op grond van artikel 19 Wpg dat er sprake moet zijn van een zwaarwegend algemeen belang dus niet is voldaan. In dit verband merkt de voorzieningenrechter ten overvloede nog het volgende op. [eiser] heeft (ook) in dit kader naar voren gebracht dat mogelijk toekomstige strafbare feiten – gepleegd door [naam 1] – kunnen worden voorkomen als hij met behulp van inzage in de camerabeelden een straat- en contactverbod tegen [naam 1] kan krijgen. Verder brengt hij naar voren dat hij het onbegrijpelijk vindt dat de politie zelf niet achter degene aangaat die hun penning in zijn brievenbus heeft gedeponeerd. Deze stellingnamen van [eiser] leggen ook inhoudelijk bezien onvoldoende gewicht in de schaal. De mededeling van de Politie van 18 augustus 2025 kan namelijk redelijkerwijs niet anders worden begrepen dan dat de Politie, mede op grond van wat er op de op 1 augustus 2025 in beslag genomen camerabeelden te zien is, onvoldoende concrete aanwijzingen heeft om een onderzoek te starten. Het moet er thans dan ook voor worden gehouden dat de camerabeelden onvoldoende uitsluitsel geven over de persoon op wie dat onderzoek zich zou moeten richten. Indien de beslissing van de Politie van 18 augustus 2025 [eiser] niet overtuigt, staan hem de geëigende voorzieningen ter beschikking zoals het aantekenen van bezwaar bij de officier van justitie of het indienen van een artikel 12 Sv-beklag.
4.11. Tot slot merkt de voorzieningenrechter nog op dat ook het beroep van [eiser] op artikel 12 Wpg hem niet baat. Artikel 12 Wpg geeft de Politie de bevoegdheid om politiegegevens over informanten te verwerken en vormt geen grondslag om politiegegevens over informanten te verstrekken, nog daargelaten dat geen aanwijzingen bestaan dat het in dit geval om een gegevens betreffende een informant gaat.