8 sep 2026,
Geen recht op administratoraccount tijdens lopende ICT-overeenkomst en geen toewijzing geldvorderingen ICT-dienstverlener
Rb. Gelderland 8 september 2026, IT 5531; ECLI:NL:RBGEL:2026:6919 (De Variabele tegen MTJ). De Variabele en ICT-dienstverlener MoreThanJust (MTJ) hebben in mei 2025 de overeenkomst ‘De Moderne Werkplek’ gesloten, op grond waarvan MTJ de ICT-omgeving van De Variabele opnieuw zou inrichten en deze vervolgens gedurende 36 maanden zou beheren en beveiligen. Nadat De Variabele onderdeel was geworden van de OMDUS-groep wilde zij haar ICT-infrastructuur binnen de groep harmoniseren en verlangde zij van MTJ onder meer toegang tot een Global Administrator-account, zodat haar nieuwe ICT-dienstverlener de migratie naar een gezamenlijke omgeving kon voorbereiden. De voorzieningenrechter oordeelt dat uit de overeenkomst niet volgt dat MTJ tijdens de looptijd verplicht is administratorrechten te verstrekken. Dat volgt evenmin uit de aard of strekking van de overeenkomst, omdat De Variabele het beheer en de beveiliging van haar ICT-omgeving voor de overeengekomen periode juist aan MTJ heeft uitbesteed. Hoewel tussen partijen niet in geschil is dat De Variabele eigenaar is van de betreffende gegevens en op grond van art. 5:2 BW in beginsel bevoegd is de feitelijke macht daarover terug te eisen, wordt ook de daarop gebaseerde vordering afgewezen. Onbeperkte toegang voor een derde zou het voor MTJ moeilijk maken om storingen en beveiligingslekken te herleiden en haar contractuele verantwoordelijkheid voor beheer en beveiliging te dragen. Volgens de voorzieningenrechter zou verstrekking van een Global Administrator-account alleen mogelijk zijn indien De Variabele MTJ volledig vrijwaart voor de daarmee samenhangende risico’s; een volledige migratie vormt een alternatief, maar daarop waren de vorderingen niet gericht. Ook het beroep van De Variabele op haar verplichtingen als verwerkingsverantwoordelijke onder de AVG leidt niet tot toewijzing, omdat niet is gebleken dat zij zonder administratorrechten niet aan die verplichtingen kan voldoen. De vorderingen in conventie worden daarom afgewezen.
In reconventie oordeelt de voorzieningenrechter voorlopig dat De Variabele de overeenkomst niet rechtsgeldig per 6 oktober 2026 heeft opgezegd. Uit art. 14 en art. 4 lid 2 van de algemene voorwaarden volgt, uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf, dat bij een overeenkomst met een overeengekomen duur van 36 maanden geen jaarlijkse tussentijdse opzeggingsmogelijkheid bestaat. De jaarlijkse opzeggingsmogelijkheid geldt alleen wanneer geen andere looptijd is overeengekomen of nadat de overeengekomen duur is verstreken en de overeenkomst stilzwijgend is verlengd. De Variabele blijft daarom in beginsel ook na 6 oktober 2026 gehouden de overeengekomen maandelijkse vergoeding te voldoen. De primaire geldvordering van MTJ wordt desondanks afgewezen, omdat de omvang van het vanaf die datum maandelijks verschuldigde bedrag in dit kort geding onvoldoende concreet kan worden vastgesteld: de factuurbedragen verschillen aanzienlijk en bevatten deels eenmalige posten. Ook het subsidiair gevorderde voorschot van € 700.000 op schadevergoeding wordt afgewezen. De eerdere mededeling van De Variabele dat zij vanaf 6 oktober 2026 niet meer zou betalen, berustte op haar standpunt dat de overeenkomst per die datum rechtsgeldig was beëindigd. Omdat zij ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard haar verplichtingen te zullen blijven nakomen indien zou blijken dat de opzegging geen effect had, heeft die mededeling niet het definitieve karakter dat vereist is voor toepassing van art. 6:80 lid 1 onder c in verbinding met art. 6:83 onder c BW. Bovendien heeft MTJ onvoldoende inzicht gegeven in de opbouw en omvang van de gestelde toekomstige schade. De geldvorderingen van MTJ worden daarom eveneens afgewezen.
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat De Variabele eigenaar is van de gevorderde gegevens en zij in beginsel op grond van artikel 5:2 BW bevoegd is de feitelijk macht daarover terug te eisen. In zoverre maakt De Variabele dus ook aanspraak op afgifte daarvan. Desondanks zal de vordering tot afgifte worden afgewezen. Middels De Moderne Werkplek heeft De Variabele immers de opdracht gegeven aan MTJ om de ICT-systemen van De Variabele in te richten, te beheren en te beveiligen. Zoals MTJ terecht aanvoert, kan zij voor een correcte uitvoering van deze taken niet meer instaan als De Variabele de onbeperkte toegang verkrijgt tot de ICT-omgeving middels een Global Administrator-account ten einde daarmee toegang te verschaffen aan haar CSP, Rubicon, die vervolgens te werk zal gaan in die ICT-omgeving om een single tentant omgeving te maken voor OMDUS. Wanneer een derde deze toegang verkrijgt en er vervolgens storingen optreden in de ICT-omgeving of beveiligingslekken, valt voor MTJ maar zeer moeilijk, dan wel niet, te achterhalen hoe deze zijn ontstaan en welke partij daarvoor verantwoordelijk is. Dit terwijl voor MTJ het reële risico bestaat dat De Variabele haar op dat moment wel aansprakelijk stelt voor de door haar geleden schade als een gevolg van een storing of beveiligingslek, wat vervolgens leidt tot een veelvoud van geschillen tussen partijen. De overdracht van een (additioneel) Global Administrator-account is dan ook slechts mogelijk als De Variabele MTJ volledig vrijwaart voor de mogelijke complicatie die ontstaan wanneer een derde de onbeperkte toegang verkrijgt tot de systemen en de mogelijk fouten en lekken die daarbij kunnen optreden. Alleen dan is het hiervoor omschreven risico voor MTJ voldoende uitgesloten. Het enige alternatief voor een vrijwaring is dat De Variabele een volledige migratie laat uitvoeren van haar ICT-omgeving, echter daarop zijn haar vorderingen niet gericht . Overigens zou de maandelijkse betalingsverplichting van De Variabele aan MTJ daarmee nog niet komen te vervallen, zoals hierna onder 4.12 tot en met 4.14 wordt uitgelegd.
4.14.
Artikel 14 van de Algemene Voorwaarden bepaalt dat overeenkomsten worden aangegaan volgens de duur van de getekende overeenkomst, in dit geval 36 maanden, doch minimaal voor één jaar, en stilzwijgend worden verlengd, tenzij schriftelijk opgezegd met een opzegtermijn van drie maanden. De voorzieningenrechter acht de tekst van dit artikel in zoverre helder dat overeenkomsten aangegaan voor bepaalde duur tot drie maanden voor het einde van de afgesproken termijn kunnen worden opgezegd, en deze anders telkens met een jaar stilzwijgend worden verlengd. In dat artikel staat verder nergens opgenomen dat overeenkomsten met een bepaalde termijn ook jaarlijks kunnen worden opgezegd. Op grond van artikel 14 van de Algemene Voorwaarden is er dus geen tussentijdse opzegmogelijkheid bij overeenkomsten van bepaalde tijd, dus ook niet De Moderne Werkplek.
4.15.
In artikel 4 lid 2 van de Algemene Voorwaarden wordt ten eerste bepaald dat de duur van een overeenkomst schriftelijk wordt overeengekomen. Zoals omschreven is dat in dit geval 36 maanden, dat is tussen partijen ook verder niet in geschil. Vervolgens bepaalt het artikel dat als geen termijn is overeengekomen een duur van één jaar geldt die telkens met één jaar stilzwijgend wordt verlengd. De bepaling bepaald afsluitend dat opzegging van de overeenkomst door opdrachtgever (De Variabele) alleen mogelijk is per jaar met een opzegtermijn van drie maanden. De Variabele heeft betoogd dat de laatste zin van artikel 4 lid 2 van de Algemene Voorwaarden slaat op de gehele bepaling en dat om die reden overeenkomsten altijd jaarlijks opzegbaar zijn met een opzegtermijn van drie maanden, ook als een contractduur is overeengekomen. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter brengt een redelijke uitleg van artikel 4 lid 2 van de Algemene Voorwaarden, mede gezien in het licht van artikel 14 van de Algemene Voorwaarden, mee dat slechts wanneer geen termijn is afgesproken overeenkomsten conform het artikel voor één jaar worden aangegaan en in dat geval telkens met diezelfde termijn worden verlengd, tenzij de opdrachtgever drie maanden voor het einde van een jaar heeft opgezegd. De jaarlijkse opzeggingsmogelijkheid geldt dus alleen als tussen partijen geen andere looptijd is overeengekomen, of als de overeenkomst na de overeengekomen duur stilzwijgend is verlengd. Het opnemen van een bepaalde tijd in een overeenkomst zou met de uitleg die De Variabele aan de artikelen geeft zinledig zijn. Immers voegt het opnemen van een contractstermijn dan feitelijk niks toe, aangezien met of zonder bepaalde termijn overeenkomsten altijd jaarlijks opgezegd kunnen worden en zonder opzegging altijd stilzwijgend met een jaar verlengd worden, aangezien overeenkomsten volgens die Algemene Voorwaarden niet van rechtswege eindigen.