Gepubliceerd op maandag 17 augustus 2020
IT 3208
Rechtbank ||
7 aug 2020
Rechtbank 7 aug 2020, IT 3208; ECLI:NL:RBROT:2020:7053 (Gemeente tegen gedaagde), https://itenrecht.nl/artikelen/geen-opzegging-cai-aansluiting-in-recreatieoord

Geen opzegging cai-aansluiting in recreatieoord

Ktr. Rechtbank Rotterdam, 7 augustus 2020, IEF 19370, IT 3208,  ECLI:NL:RBROT:2020:7053 (Gemeente en gedaagde) Gemeente is eigenaar en exploitant van een recreatieoord. Gedaagde huurt een perceel op het recreatieoord. Gedaagde heeft ten onrechte de kosten voor de cai-kabelaansluiting en Videma, collectieve beheersorganisatie van vertoningsrechten op tv-beelden, ingehouden op de betaling van de verschuldigde jaarfacturen. Er is geen sprake van opzegging van de cai-installatie. De gemeente heeft een collectief abonnement afgesloten met UPC (later KPN) voor alle percelen op het recreatieoord. Om die reden kon gedaagde niet voor zijn perceel de aansluiting opzeggen, want hij was geen contractant met UPC. De vordering dat gedaagde de kosten voor cai-installatie en Videma moet betalen aan de gemeente is toewijsbaar.

5.4.
Op grond van de huurovereenkomst en het Kampeerreglement heeft de gemeente jaarlijks een aantal kosten van het recreatieoord bij haar huurders in rekening gebracht. Volgens [gedaagde] heeft hij geen schriftelijke huurovereenkomst met de gemeente gesloten waarin is opgenomen dat hij de kosten voor cai en Videma verschuldigd is. Het enkele feit dat er geen sprake is van een schriftelijke huurovereenkomst betekent echter niet dat [gedaagde] deze kosten niet verschuldigd is. Ook op grond van een mondelinge huurovereenkomst kunnen dergelijke doorberekeningen gerechtvaardigd zijn en geacht worden deel uit te maken van de verplichtingen. [gedaagde] heeft ook niet bestreden dat de gemeente jaarlijks bepaalde kosten die zij moet maken voor het recreatieoord bij de huurders in rekening brengt. Gelet hierop en omdat [gedaagde] tot en met 2009 de kosten van cai wel heeft voldaan, is de kantonrechter van oordeel dat naast de huurbedragen ook de kosten die de gemeente moet maken voor de cai-aansluiting en de (sinds 2010) wettelijk verplichte bijdrage voor de doorgegeven tv-programma’s met auteursrechten op basis van de huurovereenkomst in rekening kunnen worden gebracht. De gemeente kan immers als contractspartner van UPC en afnemer van Videma niet om deze kosten heen, terwijl de aansluiting en de programma’s ten goede komen van de recreanten. Dit betekent derhalve dat [gedaagde] op grond van de huurovereenkomst gehouden kan worden om de betreffende kosten die de gemeente heeft gemaakt voor de percelen te betalen.

5.5.

Dat [gedaagde] het niet eens is met de (hoogte van de ) kosten voor cai en Videma doet aan het voorgaande niet af. Op grond van de huurovereenkomst worden deze kosten bij [gedaagde] in rekening gebracht, ook als hij geen gebruik maakt van cai. Daarnaast zijn er andere organen, zoals de recreantenraad, waarin hij dit ter sprake kan brengen. Het zou overigens ook in strijd zijn met de Wet Markt en Overheid als de gemeente de kosten niet zou doorbelasten aan haar huurders.

5.6.
De kantonrechter kan [gedaagde] niet volgen in zijn stelling dat de gemeente geen goed huisvader is door teveel aansluitingen af te nemen. De gemeente heeft in haar conclusie van repliek voldoende toegelicht dat dit niet het geval is. In eerste instantie was sprake van 1165 aansluitingen en per 2017 waren dat 1104 aansluitingen. [gedaagde] heeft deze aantallen niet bestreden, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat niet alle percelen/staplaatsen verhuurd zijn geweest zodat de gemeente teveel aansluitingen heeft afgenomen. De gemeente heeft echter toegelicht dat zij voor alle percelen/staplaatsen een cai-aansluiting heeft afgenomen, ook voor de niet-verhuurde percelen/staplaatsen. Volgens de gemeente zijn de cai-bijdragen in de jaarlijkse huurnota’s tot stand gekomen door het totaalbedrag (kosten) te delen door het aantal aansluitingen. Als een aantal percelen/staplaatsen niet verhuurd is, dan heeft de gemeente dus een deel van de kosten hiervan zelf gedragen. Dit is derhalve niet in het nadeel van de huurders. Dit zou anders zijn als de gemeente de kosten zou delen door het daadwerkelijk aantal verhuurde percelen/staplaatsen, maar dat is niet het geval. Overigens komt het de kantonrechter ook niet vreemd voor dat de gemeente voor alle percelen/staplaatsen een aansluiting afneemt, want deze percelen/staplaatsen kunnen gedurende het seizoen wellicht wel verhuurd worden. Daarnaast heeft de gemeente ook voldoende toegelicht hoe een en ander is geregeld met de kosten van Videma. Dit is immers een wettelijke verplichte afdracht in verband met auteursrechten, omdat sprake is van een collectieve cai-aansluiting in de recreatiebranche. Ook deze kosten worden omgeslagen over alle percelen/staplaatsen met een cai-aansluiting. Dit is derhalve ook gunstiger voor de huurders, omdat de bijdrage over veel meer aansluitingen wordt omgeslagen dan alleen de aansluitingen van de huurders. Gelet op het voorgaande kan niet geoordeeld worden dat de gemeente niet als een goed huisvader heeft gehandeld.