Gepubliceerd op woensdag 4 november 2026
IT 5596
Rechtbank Midden-Nederland ||
14 jul 2026,
Rechtbank Midden-Nederland 14 jul 2026,, IT 5596; ECLI:NL:RBMNE:2026:4756 ([eiser sub 1] en [eiser sub 2] tegen [gedaagden c.s]), https://itenrecht.nl/artikelen/geen-afdwingbare-samenwerkingsovereenkomst-voor-ontwikkeling-en-exploitatie-sportapp

Geen afdwingbare samenwerkingsovereenkomst voor ontwikkeling en exploitatie sportapp

Rb. Midden-Nederland 14 juli 2026, IT 5596; ECLI:NL:RBMNE:2026:4756 ([eiser sub 1] en [eiser sub 2] tegen [gedaagden c.s]). Twee eisers vorderen in kort geding nakoming van een volgens hen tot stand gekomen samenwerkingsovereenkomst over de verdere ontwikkeling en exploitatie van een digitaal platform met bijbehorende app die getalenteerde sporters verbindt met trainers, clubs en scouts. Partijen waren sinds april 2024 in gesprek over een samenwerking en volgens de eisers was uiterlijk op 13 november 2025 een bindende overeenkomst tot stand gekomen. De voorzieningenrechter acht echter onvoldoende aannemelijk dat partijen overeenstemming hadden bereikt over de essentiële onderdelen van de samenwerking. Met name bestond onenigheid over de financiële inbreng van de eisers. Volgens hen was afgesproken dat ieder € 60.000 zou investeren, terwijl de wederpartij vasthield aan € 100.000 per investeerder. De eisers hebben niet met stukken kunnen onderbouwen dat de wederpartij met het lagere bedrag had ingestemd. Daarnaast bestond onenigheid over de aflossing van een eerdere lening en de geschiktheid van de kantoorruimte. Dat partijen concepten van aandeelhouders- en managementovereenkomsten hadden uitgewisseld, maakt dit niet anders. Het betrof grotendeels oningevulde standaardovereenkomsten waarover nog nader overleg moest plaatsvinden.

Ook de oprichting van een nieuwe vennootschapsstructuur in december 2025 betekent volgens de voorzieningenrechter niet dat een afdwingbare samenwerkingsovereenkomst tot stand is gekomen. Hoewel uit die oprichting verplichtingen kunnen voortvloeien, kan daaruit niet worden afgeleid dat overeenstemming bestond over de essentiële voorwaarden van de samenwerking. Hetzelfde geldt voor de voorgenomen inbreng van de intellectuele-eigendomsrechten op de app. Volgens de eisers zouden deze rechten vanaf het begin worden ingebracht, maar uit de stukken blijkt niet dat daarover definitieve afspraken waren gemaakt. De voorzieningenrechter acht daarom niet aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de gestelde samenwerkingsovereenkomst tot stand is gekomen en wijst de vordering tot nakoming en de daarmee samenhangende nevenvorderingen af. Ook de subsidiaire vordering om de wederpartij gedurende zes maanden te verbieden met derden een overeenkomst over de exploitatie van de app aan te gaan, wordt afgewezen. Inmiddels was namelijk al een samenwerking met een andere investeerder aangegaan en de eisers hadden onvoldoende duidelijk gemaakt welk belang zij nog bij het verbod hadden. De eisers worden veroordeeld tot betaling van € 2.101 aan proceskosten.

3.4

Voor het (juridisch) oordeel dat een overeenkomst tot stand is gekomen, is het nodig dat kan worden vastgesteld dat er sprake was van een aanbod en dat de wederpartij dat aanbod heeft aanvaard. In dat aanbod en die aanvaarding moet de wilsovereenstemming tot uitdrukking zijn gebracht die ziet op de totstandkoming van de overeenkomst. Of die wilsovereenstemming er is, is afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden, maar kunnen in elke vorm geschieden en in een of meer gedragingen besloten liggen. Nodig is dat partijen het ten minste eens zijn over de essentialia van de overeenkomst.

3.5

Van belang is dat tussen partijen vaststaat dat er geen ondertekende overeenkomst bestaat ten aanzien van hun samenwerking. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben verwezen naar verschillende feiten en omstandigheden waaruit volgens hun volgt dat er – in weerwil van het ontbreken van een ondertekende overeenkomst – tóch een rechtens afdwingbare samenwerkingsovereenkomst tot stand is gekomen.

3.6

Wanneer het juridisch kader zoals weergegeven onder 3.4. van dit vonnis echter wordt toegepast op deze casus, dan kan de voorzieningenrechter niet anders dan vaststellen dat er geen sprake is (geweest) van overeenstemming over de essentialia van een samenwerkingsovereenkomst. Tijdens de mondelinge behandeling van deze zaak is immers besproken dat er sprake was van onenigheid over de financiële inbreng van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] . [eiser sub 1] en [eiser sub 2] menen dat zij beiden een bedrag van € 60.000,- zouden inbrengen, maar [gedaagden c.s] meent dat de afspraak was dat dit een bedrag van € 100.000,- zou zijn. Hiernaar gevraagd hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] op zitting aangegeven dat een initieel bedrag aan investeringen van € 100.000,- per investeerder is besproken, maar dat dit later naar beneden is bijgesteld aan de hand van een prognose en dat [gedaagden c.s] hiermee akkoord is gegaan. Dat er akkoord was gegeven op een lager bedrag aan investeringen wordt echter ten stelligste betwist door [gedaagden c.s] [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben de voorzieningenrechter desgevraagd niet kunnen wijzen op een productie, dan wel enig ander stuk, waaruit de instemming van [gedaagden c.s] op dit essentiële punt zou volgen. Dat deze onenigheid voortduurde en [gedaagden c.s] bleef vasthouden aan een investering van € 100.000,- per investeerder is onderbouwd door te verwijzen naar een app van de heer Philip (namens [eiser sub 2] ) van 25 maart 2026 waarin hij zijn ongenoegen uit over het feit dat [gedaagden c.s] bleef vasthouden aan een bedrag van € 100.000,-.1 [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hadden hieruit kunnen afleiden dat er kennelijk (dus) geen overeenstemming was bereikt over een essentieel onderdeel van de samenwerkingsovereenkomst, te weten de hoogte van hun eigen financiële inbreng.

3.7

Ook wijst de voorzieningenrechter ten overvloede erop dat er nog meer onderdelen of essentialia waren waarop kennelijk nog geen overeenstemming is bereikt tussen partijen. Zo is door [gedaagden c.s] tijdens de mondelinge behandeling gewezen op de afbetaling van een oude lening (de CANS-lening) door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] , wat voor [gedaagden c.s] van groot belang was omdat de heer Van Eijl financiële rust of zekerheid wenste voor [eiser sub 2] . De heer [A] heeft mede namens [eiser sub 1] hierover op de mondelinge behandeling aangegeven dat hij nooit of te nimmer een oude lening zou afbetalen. Voorts is gebleken dat partijen van mening verschilden over de geschiktheid van de door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] geregelde kantoorruimte.