Gepubliceerd op woensdag 29 juli 2026
IT 5385
Rechtbank Noord-Holland ||
13 jul 2026,
Rechtbank Noord-Holland 13 jul 2026,, IT 5385; ECLI:NL:RBNHO:2026:8438 ([verzoeker] tegen Rydo), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/financieel-oogmerk-en-patroon-van-avg-inzageverzoeken-leiden-tot-niet-ontvankelijkheid

Financieel oogmerk en patroon van AVG-inzageverzoeken leiden tot niet-ontvankelijkheid

Rb. Noord-Holland 13 juli 2026, IT 5385; ECLI:NL:RBNHO:2026:8438 ([verzoeker] tegen Rydo). Verzoeker was als gemachtigde betrokken bij een procedure van een derde tegen Rydo Telecom over de gestelde niet-ontvangst van twee bestelde telefoons. In het kader van het onderzoek naar die kwestie had Rydo onder meer contact opgenomen met PostNL. Verzoeker diende vervolgens op 20 december 2023 een inzageverzoek in op grond van de AVG. Namens Rydo werd meegedeeld dat er op dat moment geen reden werd gezien om aan het verzoek te voldoen. Verzoeker sommeerde Rydo daarna alsnog inzage te geven en kondigde € 925 exclusief btw aan buitengerechtelijke kosten en een gerechtelijke procedure aan. In juli 2025 deelde Rydo mee dat zij in verband met de eerdere procedure alleen verzoekers naam, e-mailadres en een verklaring van PostNL had verwerkt en dat deze gegevens na sluiting van het dossier waren verwijderd. Verzoeker verlangde daarop onder meer inzage in de voormalige verwerking, bewijs van verwijdering door een onafhankelijke derde, informatie over verstrekkingen aan derden en de volledige verwerkingshistorie. Hij dreigde met een procedure, dwangsommen, schadevergoeding en vergoeding van kosten en stelde daarnaast voor de kwestie tegen betaling van € 3.250 te beëindigen. Kort voor de mondelinge behandeling verminderde hij zijn verzoek tot volledige inzage in zijn persoonsgegevens, op straffe van een dwangsom van € 250 per dag met een maximum van € 35.000, en een proceskostenveroordeling. De aanvankelijk gevorderde buitengerechtelijke kosten en werkelijke proceskosten handhaafde hij niet.

De rechtbank stelt voorop dat misbruik van recht op grond van artikel 3:13 BW, bezien in samenhang met artikel 12 lid 5 AVG, slechts terughoudend en op zwaarwichtige gronden kan worden aangenomen. Uit het arrest Brillen Rottler/TC volgt dat voor misbruik zowel een geheel van objectieve omstandigheden als een subjectief element is vereist: de betrokkene moet de bedoeling hebben om kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder hij een door het Unierecht toegekend voordeel kan verkrijgen. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat het de verzoeker niet daadwerkelijk gaat om controle van de juistheid van zijn persoonsgegevens en de rechtmatigheid van de verwerking, maar om financieel gewin. Zij betrekt daarbij onder meer de vroegtijdige aankondiging van kosten en schadevergoedingen, de herhaalde dreiging met procedures, het schikkingsvoorstel van € 3.250, het lange tijdsverloop, de late vermindering van het verzoek en de mededeling dat een schadevergoeding eventueel nog in een andere procedure kon worden gevorderd. Ook weegt mee dat verzoeker het bestaan en de identiteit van zijn gestelde gemachtigde M. Weelen niet aannemelijk maakt. Verder plaatst de rechtbank de zaak in het bredere patroon van ongeveer negentig inzageverzoeken in anderhalf jaar en ongeveer twintig vergelijkbare procedures bij de Rechtbank Noord-Holland, waarin verzoeker nagenoeg identieke stukken en een vergelijkbare werkwijze gebruikt. De rechtbank concludeert dat verzoeker met behulp van de AVG bewust situaties construeert om financiële vergoedingen te verkrijgen. Zij verklaart hem daarom niet-ontvankelijk en komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het inzageverzoek of de verwerking door Rydo. Verzoeker wordt veroordeeld in € 2.230 aan proceskosten. De door hem gestelde zekerheid van € 1.647 strekt daarop in mindering, zodat nog € 583 resteert, te vermeerderen met wettelijke rente indien niet tijdig wordt betaald.

4.13.

Uit het toepasselijke beoordelingskader blijkt dat de lat voor het aannemen van misbruik van recht op grond van artikel 3:13 BW, bezien in samenhang met artikel 12 lid 5 AVG, hoog ligt en dat bij het aannemen van misbruik terughoudendheid moet worden betracht. De rechtbank is echter (ook) in deze zaak van oordeel dat voldoende is gebleken van zwaarwichtige gronden die de conclusie rechtvaardigen dat [verzoeker] met zijn verzoek misbruik van recht maakt. Uit de wijze waarop [verzoeker] in dit dossier, en in andere dossiers, de procedure is gestart en met Rydo heeft gecommuniceerd, blijkt dat [verzoeker] een financieel oogmerk heeft bij zijn verzoeken en dat het hem niet daadwerkelijk gaat om de inzage in zijn persoonsgegevens en om de juistheid van deze gegevens en de rechtmatigheid van de verwerking te controleren. Hoewel in beginsel per individuele zaak moet worden beoordeeld of sprake is van misbruik van recht, kan deze zaak niet los worden gezien van de andere vergelijkbare zaken die [verzoeker] bij de rechtbank aanhangig heeft gemaakt.9 Juist het patroon in de werkwijze en het procedeergedrag dat zichtbaar wordt uit deze en andere zaken draagt in belangrijke mate bij aan het oordeel dat [verzoeker] misbruik van recht maakt.

4.14.

Voor de motivering van haar oordeel dat sprake is van misbruik van recht verwijst de rechtbank allereerst uitdrukkelijk naar haar gemotiveerde oordeel in de onder 4.9 genoemde beschikking, waaraan - kort gezegd - het procedeergedrag en de werkwijze van [verzoeker] , en de betrokkenheid van (vermeende) gemachtigden en de rol van Webshop Juristen ten grondslag ligt. Dergelijke omstandigheden zijn ook aanwezig en gesteld in de onderhavige zaak. Zo heeft [verzoeker] ook in deze zaak al in een vroegtijdig stadium buitengerechtelijke kosten aangezegd en herhaaldelijk gedreigd met een gerechtelijke procedure, waarin dwangsommen, alle gemaakte (buiten)gerechtelijke kosten en een schadevergoeding zouden worden gevorderd. Ook hier heeft [verzoeker] vervolgens meermalen aangedrongen op een schikking in de vorm van betaling van een (schade)vergoeding door Rydo. Daarbij valt op het aanzienlijke tijdsverloop tussen enerzijds de e-mails van 1 juli 2025 van [verzoeker] , met daarin onder meer een schikkingsvoorstel voor € 3.250,-, en anderzijds het inzageverzoek van 21 december 2023 en het laatste bericht van [verzoeker] aan Rydo op 10 juli 2024. Dat wekt niet de indruk dat [verzoeker] daadwerkelijk duidelijkheid wilde over zijn persoonsgegevens. Daarbij is de rechtbank ambtshalve bekend dat [verzoeker] vanaf juli 2025, het moment dat hij zich in deze zaak opnieuw tot Rydo wendde, ook verschillende AVG-inzageverzoeken bij andere bedrijven heeft gedaan. Verder heeft [verzoeker] ook in deze zaak in de dagvaarding, zonder schriftelijke onderbouwing, een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en een vergoeding van de werkelijke proceskosten gevorderd en vervolgens zijn verzoek - zonder deugdelijke of overtuigende toelichting - verminderd tot enkel inzage in zijn persoonsgegevens op straffe van een dwangsom. Daarbij is van belang dat deze vermindering in dit geval eerst kort voor de zitting heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht ook van belang dat [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling heeft opgemerkt dat een verzoek om schadevergoeding ook nog in een andere procedure aan de orde kan komen. Dat hij geen financieel oogmerk (meer) heeft bij zijn AVG-verzoek, is dan ook niet aannemelijk.

4.15.

Tot slot heeft [verzoeker] ook in deze zaak om een vergoeding van de proceskosten verzocht, waarbij het aanvankelijk ging om de werkelijke proceskosten, terwijl Rydo haar terechte twijfels heeft geuit over het daadwerkelijk bestaan van gemachtigde Weelen. Gemachtigde Weelen is voor Rydo niet vindbaar gebleken en rechtstreeks en persoonlijk contact met Weelen heeft niet plaatsgevonden. [verzoeker] wist dat bij Rydo het vermoeden bestond dat Weelen niet bestaat. Dit heeft Rydo immers al in het verweer naar voren gebracht. Desondanks heeft [verzoeker] ervoor gekozen om niet alsnog duidelijkheid te verschaffen over het bestaan en de identiteit van de gemachtigde. Het had in ieder geval op zijn weg gelegen zich ter zitting te laten bijstaan door deze gemachtigde, maar dat is niet gebeurd. [verzoeker] heeft daar geen goede of aannemelijke reden voor gegeven. Het bestaan van gemachtigde Weelen heeft [verzoeker] dan ook niet aannemelijk weten te maken. Dat wordt hem aangerekend.