Gepubliceerd op dinsdag 31 maart 2020
IT 3088
Rechtbank ||
19 feb 2020
Rechtbank 19 feb 2020, IT 3088; ECLI:NL:RBNHO:2020:1321 (Eiser tegen Belastingdienst), https://itenrecht.nl/artikelen/eu-verlies-is-verrekenbaar-met-pokerwinsten-in-derde-landen

EU-verlies is verrekenbaar met pokerwinsten in derde landen

Rechtbank Noord-Holland 19 februari 2020, IT 3088 ;ECLI:NL:RBNHO:2020:1321 (Eiser tegen Belastingdienst) Eiser woont sinds juni 2016 in Nederland. Eiser doet aangifte kansspelbelasting over juni en juli 2016 in verband met zijn pokerwinsten op internet. Volgens Eiser is de verschuldigde belasting nihil. In geschil is of terecht een naheffingsaanslag is opgelegd van € 5892. Een deel van de betreffende websites is onderdeel van de A-groep, waarvan het hoofdkantoor - buiten de EU - op het eiland Man is gevestigd. Volgens eiser zijn de houders van het spel twee - binnen de EU - op Malta gevestigde dochtervennootschappen. De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk maakt dat de Maltese tak houder is van de internetpokerspelen, maar hij mag zijn negatieve saldo bij EU-aanbieders wel verrekenen met het positieve saldo bij in derde landen gevestigde aanbieders. Eiser mag binnen één tijdvak niet de voor hem gunstige elementen van beide regelingen - art. 56 VWEU en de Wet KSB – combineren. Eiser kan aldus in juni 2016 een verlies van € 537 verrekenen. Het beroep van X is deels gegrond.

31. In het arrest van 27 februari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:472) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Wet KSB (tekst 2009, thans artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel d, ten tweede, van de Wet KSB) buiten toepassing moet blijven met betrekking tot de heffing over het positieve verschil tussen de in een kalendermaand gewonnen prijzen en de in die kalendermaand gedane inzetten behaald bij in andere lidstaten van de EU gevestigde aanbieders in verband met de toepassing van artikel 56 van het VWEU. De hiervoor genoemde bepaling leidt namelijk tot een ongunstigere behandeling van buitenlandse internetkansspelen in vergelijking met binnenlandse internetkansspelen, en voor zover het buitenlandse internetkansspel in een andere lidstaat van de EU wordt gehouden, levert dit strijd op met het vrije verkeer van diensten binnen de EU.

32. Het rechtbank stelt voorop dat de strijd met artikel 56 van het VWEU wordt veroorzaakt door de keuze van de wetgever om de elementen waarop de heffing van kansspelbelasting is gebaseerd, verschillend vast te stellen voor buitenlandse en binnenlandse internetkansspelen. Het is aan de wetgever de Wet KSB zodanig aan te passen, dat de strijd met artikel 56 van het VWEU wordt opgeheven voor zover het internetkansspelen betreft die worden gehouden in andere lidstaten van de EU. Eiser mag de voor hem gunstigste regeling toepassen: de Wet KSB of artikel 56 van het VWEU. De rechtbank volgt verweerder niet in diens standpunt dat eiser gehouden dient te worden aan zijn keuze voor een beroep op artikel 56 van het VWEU. Verweerder mag de Wet KSB niet aan eiser tegenwerpen maar het omgekeerde geldt ook: verweerder mag eiser niet een beroep op artikel 56 van het VWEU onthouden. Dit betekent dat eiser per tijdvak, dus per maand, een beroep kan doen op de voor hem meest gunstige regeling. Hierbij geldt slechts de beperking dat eiser niet binnen een tijdvak de voor hem gunstige elementen van beide regelingen kan combineren (vergelijk de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5709).

33. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat niets aan toepassing van 3, eerste lid, letter c, van de Wet KSB in de weg staat. In dat geval mag eiser het negatieve saldo van de spelen bij in de EU gevestigde aanbieders in mindering brengen op het positieve saldo van de spelen bij in derde landen gevestigde aanbieders. Voor de naheffingsaanslag betekent dit dat voor wat betreft juni 2016 het saldo van de prijzen minus de inzetten bij [C] van € -537 in mindering mogen worden gebracht op het resultaat. Het beroep zal gelet hierop gegrond worden verklaard. Voor wat betreft het (na)heffingstijdvak juli 2016 maakt het voorgaande geen verschil.

Afbeelding: Pixabay