9 dec 2025
EFTA-Hof: IJsland schendt EER-verplichtingen door Richtlijn 2016/2102 niet tijdig te implementeren
EFTA-Hof 9 december 2025, IT 5205; E-10/25 (EFTA Surveillance Authority tegen IJsland). De EFTA Surveillance Authority (ESA) heeft op grond van artikel 31 SCA een inbreukprocedure ingesteld tegen IJsland wegens het niet tijdig implementeren van Richtlijn (EU) 2016/2102 inzake de toegankelijkheid van websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties. Deze richtlijn is via EEA Joint Committee Decision No 59/2021 als punt 5oc opgenomen in Bijlage XI (Electronic communications; audiovisual services and information society) bij de EER-overeenkomst. Het besluit trad voor IJsland op 1 april 2024 in werking, waarmee tevens de implementatietermijn verstreek. Bij gebreke van een kennisgeving van nationale implementatiemaatregelen zond ESA op 12 juli 2024 een letter of formal notice. In zijn antwoord van 10 oktober 2024 erkende IJsland dat omzetting nog niet had plaatsgevonden, maar wees het op lopende wetgevingsvoorbereidingen en een verwacht wetsvoorstel in november 2024. Dit leidde op 13 november 2024 tot een reasoned opinion, waarin ESA IJsland tot 13 januari 2025 de gelegenheid gaf om alsnog de noodzakelijke maatregelen te nemen. Een reactie bleef uit en ook binnen deze termijn werden er geen implementatiemaatregelen vastgesteld.
ESA besloot daarom op 11 juni 2025 de zaak bij het EFTA-Hof aanhangig te maken. Het Hof herhaalt dat voor de beoordeling van een niet-nakoming beslissend is de situatie bij het verstrijken van de in de reason opinion gestelde termijn. Vaststaat dat IJsland op 13 januari 2025 geen maatregelen had vastgesteld ter uitvoering van de richtlijn en ESA daarvan evenmin in kennis had gesteld. Onder verwijzing naar artikel 3 en 7, onder b, EER, gelezen in samenhang met artikel 12 van de richtlijn, oordeelt het Hof dat IJsland zijn verplichtingen niet is nagekomen. Daarbij benadrukt het Hof, in lijn met eerder rechtspraak (o.m. ESA/Iceland, E-4/25), dat het ontbreken van directe werking binnen de EER tijdige implementatie des te essentiëler maakt en dat op EER-staten een resultaatsverplichting rust.
23. The Court notes that the lack of direct legal effect of acts referred to in decisions by the EEA Joint Committee makes timely implementation crucial for the proper functioning of the EEA Agreement. The EFTA States find themselves under an obligation of result in that regard (see the judgment in ESA v Iceland, E-4/25, cited above, paragraph 21 and case law cited).
24. JCD No 59/2021 entered into force on 1 April 2024. The time limit for EFTA States to adopt the measures necessary to implement the Directive expired on the same date.
25. The question of whether an EFTA State has failed to fulfil its obligations must be determined by reference to the situation as it stood at the end of the period laid down in the reasoned opinion (see the judgment in ESA v Iceland, E-4/25, cited above, paragraph 23 and case law cited). In this case, the relevant date is 13 January 2025.
26. It is undisputed that Iceland had failed to fulfil its obligations under the Directive and Article 7 EEA by the expiry of the time limit set in the reasoned opinion