4 aug 2026,
Dubbel ondertekend targetformulier leidt niet tot jaarklik voor elektriciteitsprijs 2023
Hof Den Haag 4 augustus 2026, IT 5452; ECLI:NL:GHDHA:2026:2466 (BES tegen Greenchoice). Bio-Energie Stadskanaal (BES) en Greenchoice sluiten voor 2023 een overeenkomst voor de levering van duurzame elektriciteit. Uitgangspunt is een variabele prijs, maar BES kan via een klikprocedure de prijs voor bepaalde volumes per kwartaal of voor het gehele jaar vastzetten. Het belangrijkste geschilpunt is of in september 2022 een jaarklik voor 2023 tot stand komt nadat BES een formulier indient met een targetprijs van € 600 per MWh en Greenchoice dit formulier vervolgens medeondertekent en retourneert. Het hof oordeelt, evenals de rechtbank, dat dit niet het geval is en dat BES daarop ook niet gerechtvaardigd mocht vertrouwen. Zelfs als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat voor de totstandkoming van een prijsklik de bevestiging door Greenchoice beslissend is, kan het dubbel ondertekende formulier redelijkerwijs niet als zo’n bevestiging worden uitgelegd. Daaruit volgt juist dat Greenchoice zich inspant om het volume tegen de targetprijs vast te leggen en dat de prijs pas definitief en bindend wordt zodra Greenchoice deze daadwerkelijk kan vastleggen. Het formulier wijkt bovendien duidelijk af van formulieren uit eerdere jaren waarin expliciet werd bevestigd dat een prijs al was vastgezet. Ook de begeleidende e-mails van 6 en 7 september 2022 laten geen ruimte voor een ander oordeel: Greenchoice schrijft dat de marktprijs op dat moment rond € 350-360 ligt, ver verwijderd van de gevraagde € 600, en dat zij de ontwikkeling in de gaten houdt. Het hof ziet daarom onvoldoende aanknopingspunten voor het standpunt dat BES redelijkerwijs mocht menen dat de jaarklik al was uitgevoerd.
Over 2023 moet daarom worden afgerekend zonder jaarklik, maar wel rekening houdend met de niet ter discussie staande kwartaalklik voor het eerste kwartaal van 2023. Greenchoice heeft die kwartaalklik bij de afrekening per abuis ook toegepast op het tweede kwartaal, waardoor BES te veel heeft ontvangen. BES betwist in hoger beroep tevens de omvang van de terugbetalingsvordering, maar die betwisting acht het hof onvoldoende gemotiveerd. Haar beroep op verrekening slaagt wel gedeeltelijk: bedragen van € 18.162,24 en € 1.601,69 die BES nog van Greenchoice tegoed heeft, in totaal € 19.763,93, worden op de oorspronkelijke vordering van € 1.005.697,76 in mindering gebracht. Daarnaast erkent BES dat Greenchoice nog € 8.813,78 uit de eindafrekening over 2024 toekomt. Omdat grief I dus gedeeltelijk slaagt, vernietigt het hof voor de overzichtelijkheid het gehele vonnis en doet het opnieuw recht. BES moet € 985.933,83, vermeerderd met de wettelijke rente van art. 6:119 BW vanaf 28 februari 2024, en daarnaast € 8.813,78 aan Greenchoice betalen. BES blijft als overwegend in het ongelijk gestelde partij bovendien aansprakelijk voor de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep.
5.17
Het eerste deel van deze grief houdt het volgende in:
Ten eerste betwist BES dat uit Productie 26 van Greenchoice volgt dat zij een vordering heeft op BES van de gestelde omvang. BES kan van de facturen van Greenchoice en de onderbouwing daarvan simpelweg geen chocolade maken. Om als voorbeeld een paar punten te nomen: volstrekt onduidelijk is of Greenchoice op basis van de juiste EPEX-prijzen tot een EPEX-Gewogenprijs is gekomen. EPEX-prijzen zijn namelijk niet openbaar dus BES kan dit niet verifiëren. BES betwist dit dan ook. Daarnaast is het volstrekt onduidelijk of Greenchoice levering en teruglevering correct factureert, zowel qua omvang als qua tarifering.
5.18
Het hof acht deze betwisting van de omvang van de vordering onvoldoende gemotiveerd. Tegen de achtergrond van de opmerking van BES in eerste aanleg dat “het voor BES lastig is om de juiste EPEX-Gewogenprijs te berekenen” kan niet worden aangenomen dat, zoals BES in hoger beroep aanvoert, BES daartoe niet in staat is. Het hof neemt ook in aanmerking dat BES zich in aangelegenheden als deze steeds heeft laten bijstaan door Intocon. BES heeft niet toegelicht waarom zij bij serieuze twijfel over de juistheid van de door Greenchoice tot uitgangspunt genomen prijzen zich niet opnieuw tot Intocon zou kunnen wenden. Wat de facturering van de levering en teruglevering (omvang en tarifering) betreft, heeft BES niet toegelicht in welk opzicht zij van Greenchoice nog meer of andere gegevens verlangt dan Greenchoice in eerste aanleg bij akte heeft overgelegd. Het hof memoreert ten overvloede dat van de zijde van BES ter zitting in hoger beroep is gezegd dat zij in het verleden steeds in goed vertrouwen is afgegaan op de opgaven van Greenchoice.
5.19
BES heeft in het tweede deel van grief I een beroep gedaan op verrekening met twee bedragen die BES tegoed heeft van Greenchoice: € 18.162,24 (de afrekening over november 2023) en € 1.601,69 (de afrekening over december 2023). Deze twee bedragen kunnen volgens Greenchoice inderdaad op haar vordering in mindering worden gebracht. Greenchoice wenst nog een bedrag van € 8.813,78 (de eindafrekening 2024) bij haar vordering opgeteld te zien. BES heeft de juistheid van deze eindafrekening ter zitting in hoger beroep erkend. Het hof zal de som van de door BES genoemde bedragen, € 19.763,93, in mindering brengen op de vordering van Greenchoice en het door Greenchoice genoemde bedrag van € 8.813,78 afzonderlijk toewijzen. De door BES gevorderde wettelijke handelsrente over de bedragen die zij in verrekening wenst te brengen, is niet toewijsbaar. Tegen de achtergrond van de vordering van Greenchoice op BES en de verrekening, lag het op de weg van BES toe te lichten waarom zij niettemin aanspraak zou hebben op de wettelijke handelsrente (artikel 6:119a lid 7 BW).