4 mrt 2026,
Betalingsverplichting consument 20% verminderd wegens niet-naleven afsluitregeling
Rb. Midden-Nederland 4 maart 2026, IT 5454; ECLI:NL:RBMNE:2026:658 (Engie Nederland Retail B.V. tegen [gedaagde]). Engie vordert in een verstekprocedure betaling van openstaande bedragen uit een op afstand gesloten energieovereenkomst met een consument, die voor onbepaalde tijd is aangegaan en inmiddels is beëindigd. De kantonrechter toetst ambtshalve of Engie de toepasselijke consumentenbeschermende regels heeft nageleefd. Naar aanleiding van een tussenvonnis legt Engie onder meer herinneringsbrieven over en blijkt dat zij de consument heeft aangemeld bij een schuldhulpverleningsinstantie. Uit de dagvaarding en de nadere akte blijkt echter niet dat Engie een redelijke en passende betalingsregeling heeft aangeboden met een voorstel voor de betaling en afwikkeling van de openstaande vorderingen. Dat is op grond van artikel 4Aa van de Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas vereist voordat de levering van elektriciteit en gas mag worden beëindigd. De kantonrechter acht daarom een sanctie passend en vermindert de betalingsverplichting van de consument met 20%.
Voor het overige doorstaat de vordering de ambtshalve toetsing. De essentiële informatieplichten van de artikelen 6:230m en 6:230v BW zijn nageleefd. Ook treft de kantonrechter in de overeenkomst of de toepasselijke algemene voorwaarden, voor zover relevant voor het toewijsbare deel van de vordering, geen regelingen aan die zodanig van de wettelijke regeling afwijken dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld in de zin van artikel 6:233 onder a BW. Verder voldoet de aanmaning voor de buitengerechtelijke incassokosten aan artikel 6:96 leden 5 en 6 BW. Na toepassing van de sanctie wordt € 1.108,58 aan hoofdsom toegewezen, vermeerderd met € 40 aan buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente over € 1.108,58 vanaf de vervaldata van de facturen. Hoewel een deel van de oorspronkelijke vordering wordt afgewezen, is Engie terecht tot dagvaarding overgegaan. De consument wordt daarom veroordeeld in de proceskosten van € 676,78, waarbij het griffierecht voor zover dat € 340 te boven gaat voor rekening van Engie blijft.
2.2.
De kantonrechter heeft de eisende partij bij tussenvonnis gevraagd om meer informatie, om te kunnen beoordelen of de eisende partij heeft voldaan aan de voorwaarden van de Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas (hierna: de Regeling). De eisende partij heeft in haar akte uitleg gegeven over de werkzaamheden die zij heeft verricht. Zij heeft bij haar akte de gestuurde herinneringsbrieven aan de gedaagde partij in het geding gebracht. Uit de overgelegde stukken bij de akte blijkt ook dat de eisende partij de gedaagde partij heeft aangemeld bij een schuldhulpverleningsinstantie. Uit de dagvaarding en akte blijkt echter niet dat de eisende partij een redelijke en passende betalingsregeling heeft aangeboden, met een voorstel over de betaling en de afwikkeling van de openstaande vorderingen. Dat is op grond van artikel 4Aa van de Regeling wel vereist voordat de levering van elektriciteit en gas mag worden beëindigd. De kantonrechter is van oordeel dat een sanctie op zijn plaats is. De kantonrechter vermindert de betalingsverplichting van de gedaagde partij met 20%.
2.3.
Op de inmiddels beëindigde overeenkomst waren ook consumentenbeschermende bepalingen van toepassing. Sommige consumentenbeschermende bepalingen worden zo belangrijk gevonden dat de kantonrechter bij de beoordeling van vorderingen die voortkomen uit zo’n overeenkomst ambtshalve (dat wil zeggen uit zichzelf, ook als de consument daar niet om vraagt) moet beoordelen of die zijn nageleefd. Als die bepalingen niet zijn nageleefd, of als de kantonrechter over onvoldoende informatie beschikt om dat te kunnen beoordelen, moet de kantonrechter daar, eveneens ambtshalve, consequenties aan verbinden. In de regel zal dan (een deel van) de vordering moeten worden afgewezen, zoals ook de niet gebleken naleving van de Regeling leidt tot een gedeeltelijke afwijzing. De beoordeling ziet met name op de naleving van toepasselijke informatieplichten en op de inhoud van algemene voorwaarden.
2.4.
Op de overeenkomst waren de informatieplichten van de artikelen 6:230m en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek van toepassing. De kantonrechter constateert dat die toepasselijke essentiële informatieplichten zijn nageleefd.
2.5.
De kantonrechter heeft ook ambtshalve beoordeeld of de eisende partij in de overeenkomst of in de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden ten aanzien van het toewijsbare deel van de vordering een of meerdere regelingen had opgenomen, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen daarover dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld (artikel 6:233 onder a BW), maar dat blijkt niet het geval.
2.6.
Voor vergoeding van de buitengerechtelijke kosten, moet de eisende partij een aanmaning sturen die een juiste termijn vermeldt en ten hoogste de maximaal te vragen kosten in rekening brengt na die termijn (artikel 6:96 lid 5 en 6 BW). Ook dit moet de kantonrechter ambtshalve toetsen. In dit geval is aan de wettelijke eisen voldaan.
2.7.
De vordering komt de kantonrechter voor het overige, mede gelet op wat hiervoor is overwogen, niet ongegrond of onrechtmatig voor. Dat betekent dat een hoofdsom van € 1.108,58 wordt toegewezen, vermeerderd met € 40,00 aan vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en rente, op de in het dictum van dit vonnis vermelde manier.