Gepubliceerd op maandag 10 augustus 2026
IT 5419
Rechtbank Den Haag ||
1 jul 2026,
Rechtbank Den Haag 1 jul 2026,, IT 5419; ECLI:NL:RBDHA:2026:18257 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/beschuldiging-over-grensoverschrijdend-gedrag-in-google-review-deels-onrechtmatig-maar-geen-schadevergoeding

Beschuldiging over grensoverschrijdend gedrag in Google-review deels onrechtmatig, maar geen schadevergoeding

Rb. Den Haag 1 juli 2026, IT 5419; ECLI:NL:RBDHA:2026:18257 ([eiser] tegen [gedaagde]). Een voormalig leerling plaatste op 3 juni 2025 na een conflict met haar rij-instructeur een éénsterrenreview op Google Reviews. Zij schreef daarin onder meer dat de instructeur tijdens de rijles meermaals haar dijen had aangeraakt, dat zij dit als grensoverschrijdend en onprofessioneel had ervaren en dat hij hetzelfde gedrag zou vertonen bij “bijna elke vrouwelijke leerling, ook bij minderjarige leerlingen”. Nadat de rijschoolhouder aangifte had gedaan van smaad en laster, wijzigde zij op 29 september 2025 die laatste zin in de mededeling dat hij hetzelfde gedrag bij “andere vrouwelijke leerlingen” vertoonde. Na het uitbrengen van de dagvaarding verwijderde zij de review op 11 december 2025. De rijschoolhouder stelde dat zijn eer en goede naam waren aangetast en vorderde, na vermindering van eis, € 27.006 aan gederfde winst wegens de gestelde omzetdaling. De rechtbank stelt voorop dat sprake is van een botsing tussen het belang van de rijschoolhouder bij bescherming van zijn eer en goede naam en de vrijheid van meningsuiting van de reviewer. Daarbij weegt mee dat een Google-review voor de lezer herkenbaar een persoonlijke ervaring en mening bevat. Een reviewer mag zich kritisch en waarschuwend uitlaten en daarbij stevige bewoordingen gebruiken en enigszins overdrijven, maar die vrijheid is niet onbeperkt.

De rechtbank acht de eerste drie zinnen van de gewraakte alinea niet onrechtmatig. De mededeling dat de instructeur de dijen van de reviewer had aangeraakt is overwegend feitelijk van aard, maar is volgens de rechtbank niet evident onjuist, mede gelet op haar eigen toelichting en een verklaring van haar zus over een vergelijkbare ervaring. De kwalificatie van het gedrag als grensoverschrijdend en onprofessioneel betreft duidelijk haar persoonlijke mening en is niet onnodig grievend. Voor de oorspronkelijke vierde zin ligt dat anders. De beweringen dat de instructeur hetzelfde gedrag bij “bijna elke vrouwelijke leerling” en bij minderjarige leerlingen vertoonde, hadden onvoldoende steun in de feiten. Omdat daarmee een ernstige verdenking van grensoverschrijdend gedrag werd geuit die zijn persoonlijke en professionele reputatie ernstig kon schaden, woog zijn belang bij reputatiebescherming op dit punt zwaarder dan de vrijheid van meningsuiting. De oorspronkelijke vierde zin, die van 3 juni tot 29 september 2025 online stond, was daarom onrechtmatig. De aangepaste formulering dat de instructeur hetzelfde gedrag bij “andere vrouwelijke leerlingen” vertoonde, was volgens de rechtbank niet onrechtmatig. Desondanks wordt de schadevordering afgewezen. Voor aansprakelijkheid voor de gestelde schade moest voldoende causaal verband bestaan tussen juist het onrechtmatige gedeelte van de review en de gestelde omzet- en winstderving. Hoewel uit de cijfers een aanzienlijke omzetdaling na plaatsing van de review naar voren kwam, was niet aangetoond dat het aantal aanmeldingen was gedaald, specifiek onder vrouwen en minderjarigen, of dat een eventuele daling door de onrechtmatige zin was veroorzaakt. Een negatieve review en een éénsterrenbeoordeling kunnen op zichzelf effect hebben, maar zijn niet zonder meer onrechtmatig. Het vereiste conditio-sine-qua-nonverband is daarom niet komen vast te staan. De rechtbank komt niet toe aan de omvang van de schade, wijst de vorderingen af en veroordeelt de rijschoolhouder tot € 3.235 aan proceskosten.

4.14.

De rechtbank overweegt als volgt. Volgens [eiser] is de omzet direct na de publicatie gekelderd en hij overlegt ter onderbouwing van deze stelling een verklaring en berekening van zijn boekhouder. De rechtbank merkt op dat de boekhouder uitgaat van een omzetdaling in het tweede, derde en vierde kwartaal van 2025. In de cijfers van het tweede kwartaal wordt echter geen onderscheid gemaakt tussen de periode vóór en na de plaatsing van de review op 3 juni. De berekening van de boekhouder dateert bovendien van 3 november 2025, terwijl deze wel al de omzetderving tot eind 2025 omvat. Dat gezegd zijnde, kan aan [eiser] worden toegegeven dat in het overzicht in deze periode alsnog een aanzienlijke omzetdaling zichtbaar is in de periode na de review. Nu het gaat om de omzet van een rijschool, waarbij leerlingen over een langere lesperiode pakketten afnemen en in termijnen betalen, is de vraag hoe het verband tussen review en omzetdaling inzichtelijk kan worden gemaakt. [eiser] heeft ter zitting toegelicht dat dit volgt uit een daling van het aantal aanmeldingen, specifiek van vrouwelijke en/of minderjarige leerlingen, na de review. Dat er een daling is geweest van het aantal aanmeldingen en dat dit specifiek om vrouwen en minderjarigen gaat, kan de rechtbank echter nergens uit opmaken. [eiser] heeft ter zitting uitgelegd dat hij nog steeds vrouwelijke en minderjarige leerlingen heeft en hij overlegt ook een positieve verklaring van een vrouwelijke leerling die dateert van november 2025. Maar ook als er sprake is van een daling van het aantal leerlingen, dan staat het causaal verband met de onrechtmatigheid daarmee nog niet zonder meer vast. [eiser] heeft in de dagvaarding en ter zitting gezegd dat de negatieve review van [gedaagde] en de beoordeling met 1 van de 5 sterren een vernietigend effect heeft, onder meer op het gemiddelde van de 5-sterrenbeoordeling die [eiser] aanvankelijk was toegekend op Google Reviews. Hoewel het voorstelbaar is dat een negatieve review effect heeft op het aantal aanmeldingen, is daarbij van belang dat een negatieve review op zichzelf niet onrechtmatig is, zoals is uiteengezet in rov. 4.4. Het gaat in dit geval immers om één zin uit de review die onrechtmatig was. [eiser] heeft verder aangevoerd dat zijn goede naam ook buiten Google Reviews is aangetast door de onrechtmatige uitlating, maar hij heeft ook toegelicht dat aan de bedrijfsnaam van de rijschool nog zodanig veel goodwill is verbonden dat hij die bedrijfsnaam niet wijzigt.

4.15.

Het is onvoldoende komen vast te staan dat het onrechtmatige gedeelte van de review heeft geleid tot een daling van het aanmeldingen, met een daling van de omzet tot gevolg. Nu het causaal verband niet is komen vast te staan, is er geen verplichting van [gedaagde] om schade van [eiser] te vergoeden. Aan een beoordeling van de schade komt de rechtbank daarom niet toe.