Gepubliceerd op woensdag 4 november 2026
IT 5606
Rechtbank Noord-Holland ||
7 sep 2026,
Rechtbank Noord-Holland 7 sep 2026,, IT 5606; ECLI:NL:RBNHO:2026:12871 (eiser tegen Raad voor Plantenrassen), https://itenrecht.nl/artikelen/beroep-over-niet-tijdig-beslissen-op-woo-verzoek-naar-avg-documenten-voortijdig-ingesteld

Beroep over niet tijdig beslissen op Woo-verzoek naar AVG-documenten voortijdig ingesteld

Rb. Noord-Holland 7 september 2026, IT 5606; ECLI:NL:RBNHO:2026:12871 (eiser tegen Raad voor Plantenrassen). Een verzoeker vraagt de Raad voor Plantenrassen op grond van de Wet open overheid (Woo) om openbaarmaking van informatie over de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) over de periode vanaf 2018. Nadat volgens verzoeker niet tijdig op zijn verzoek is beslist, stelt hij de Raad in gebreke. De Raad vraagt hem vervolgens op 6 oktober 2025 om zijn verzoek nader te concretiseren en schort de beslistermijn met twee weken op. Op 15 oktober 2025 stuurt de Raad de privacyverklaring en de verwerkersovereenkomst met Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw) aan verzoeker door en vraagt opnieuw om concretisering. Een dag later stelt verzoeker beroep in wegens het niet tijdig nemen van een besluit. Volgens hem zijn zowel de beslistermijn als de termijn na ingebrekestelling verstreken.

De rechtbank oordeelt dat het beroep voortijdig is ingesteld. De Raad heeft de beslistermijn op 6 oktober 2025 opgeschort tot en met 19 oktober 2025. De rechtbank overweegt dat de termijn van twee weken waarbinnen een bestuursorgaan op grond van artikel 4.1 Woo om concretisering van een verzoek moet vragen, geen fatale termijn is. De vraag of het oorspronkelijke Woo-verzoek in de spamfilter is terechtgekomen en daardoor later is ontvangen, laat de rechtbank daarom in het midden. Omdat verzoeker op 16 oktober 2025 beroep instelde terwijl de opschorting van de beslistermijn nog liep, is het beroep prematuur. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling. Verzoeker krijgt het griffierecht niet terug en ontvangt geen proceskostenvergoeding.

 

3. Op 28 augustus 2025 heeft eiser de Raad verzocht om openbaarmaking van informatie die hij onder zich heeft op het gebied van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in de periode van 2018 tot heden.

3.1.

Op 29 september 2025 heeft eiser de Raad in gebreke gesteld.

3.2.

Op 6 oktober 2025 heeft de Raad eiser verzocht om binnen twee weken zijn verzoek te concretiseren. Gedurende die periode heeft de Raad het verzoek aangehouden.

3.3.

Op 15 oktober 2025 heeft de Raad de privacyverklaring en verwerkersovereenkomst tussen de Raad en Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw) doorgezonden naar eiser en hem verzocht om verdere concretisering van zijn verzoek.

3.4.

Op 16 oktober 2025 heeft eiser beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing door de Raad op zijn Woo-verzoek.

3.5.

Op 29 oktober 2025 heeft de Raad op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De Raad heeft dit op 4 november 2025 aangevuld.

Heeft de Raad niet tijdig beslist op het Woo-verzoek van eiser?

4. Eiser betoogt dat de Raad niet tijdig heeft beslist op zijn Woo-verzoek. Op 28 augustus 2025 heeft hij zijn verzoek ingediend. De termijn om daarop te beslissen is inmiddels verstreken. Eiser heeft de Raad vervolgens in gebreke gesteld. Ook deze termijn van twee weken is verstreken.

4.1.

De rechtbank komt tot het oordeel dat eiser prematuur beroep heeft ingesteld. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Op 6 oktober 2025 heeft de Raad de beslistermijn opgeschort met twee weken, dus tot en met 19 oktober 2025. Op grond van artikel 4.1 van de Woo moet het bestuursorgaan binnen twee weken eiser verzoeken om zijn Woo-verzoek te concretiseren. Deze termijn van twee weken is niet fataal.1 De vraag of het Woo-verzoek van eiser wel of niet in de spamfilter van het college is terechtgekomen en het Woo-verzoek daarom later in ontvangst is genomen laat de rechtbank, gelet op de niet-fatale termijn van artikel 4.1 van de Woo, in het midden. Terwijl de opschorting van de beslistermijn nog liep, heeft eiser beroep ingesteld. Dit was gelet op het vorenstaande prematuur. Daarom is het beroep niet-ontvankelijk.