17 jun 2026,
Kopieer citeerwijze ||
[appellante] tegen de staatssecretaris voor Rechtsbescherming
AVG-rectificatieverzoek biedt geen route om kinderbeschermingsmaatregelen inhoudelijk te laten beoordelen
RvS 17 juni 2026, IT 5390; ECLI:NL:RVS:2026:3763 ([appellante] en de staatssecretaris voor Rechtsbescherming). Een moeder verzocht de staatssecretaris voor Rechtsbescherming op grond van artikel 16 lid 1 AVG om rectificatie van twee rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming uit 2018 over haar oudste zoon. Volgens haar bevatten de rapporten grotendeels onjuiste informatie en werd daarop nog steeds teruggegrepen in procedures over het gezag en de omgang met haar zoon. De staatssecretaris wees het verzoek gedeeltelijk toe en paste de rapporten aan waar verschillende onjuistheden waren vastgesteld. Klachten over het handelen of nalaten van de Raad voor de Kinderbescherming vielen volgens de staatssecretaris buiten de AVG-procedure. De Rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep ongegrond. Zij overwoog dat het rectificatierecht van artikel 16 AVG niet is bedoeld om indrukken, meningen, onderzoeksresultaten en conclusies te corrigeren of te verwijderen alleen omdat de betrokkene zich daarmee niet kan verenigen. Ook kan de bestuursrechter in deze procedure niet beoordelen welke gevolgen de Raad voor de Kinderbescherming of de civiele rechter aan de gerectificeerde rapporten moet verbinden. Over het verzoek om wissing van de rapporten was bovendien al in een andere procedure beslist.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Een rectificatieverzoek op grond van artikel 16 AVG leent zich niet voor een inhoudelijke beoordeling van het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming of van de onderzoeksresultaten en conclusies over de gezagsbeëindiging en uithuisplaatsing. Ook kan in deze procedure niet worden beoordeeld of het weghalen van het kind kort na de geboorte in strijd was met artikel 8 EVRM. De stelling dat de Raad voor de Kinderbescherming een melding van Veilig Thuis Hollands Midden niet had mogen aannemen, valt eveneens buiten de omvang van het geschil. Hoewel de rapporten volgens de Afdeling grote gevolgen voor appellante en haar kinderen hebben gehad en mogelijk nog steeds hebben, kan een AVG-rectificatieprocedure niet leiden tot de vaststelling dat de Raad geen onderzoek had mogen starten of dat de kinderbeschermingsmaatregelen moeten worden beëindigd. Appellante had in hoger beroep bovendien niets aangevoerd tegen het oordeel dat de staatssecretaris de rapporten zelf niet verdergaand hoefde te rectificeren. Het hoger beroep is daarom ongegrond en de staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
4. De Afdeling overweegt hierover als volgt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat een verzoek om rectificatie op grond van de AVG zich niet leent voor een inhoudelijke beoordeling van het onderzoek van de RvdK of van de juistheid van de resultaten en conclusies ervan over de beëindiging van het gezag, de uithuisplaatsing en de vraag of het weghalen van haar kind vlak na de geboorte in strijd is met artikel 8 van het EVRM (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1437, onder 4.1). De Afdeling heeft in de uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3268, over het verzoek van [appellante] om wissing van de rapporten bij de RvdK over haar twee zoons al geoordeeld dat die procedure op grond van de AVG niet kan leiden tot een oordeel over de maatregel tot gezagsbeëindiging. Dat geldt ook voor een rectificatieverzoek op grond van de AVG. Daarbij heeft de rechtbank onder 3.5 terecht overwogen dat de bestuursrechter niet kan beoordelen welke gevolgen de RvdK of de civiele rechter zouden moeten verbinden aan de gerectificeerde rapporten. Voor zover [appellante] aanvoert dat de RvdK de melding van VT Hollands Midden niet had mogen aannemen, omdat VT Hollands Midden het onderzoek niet had mogen verrichten, overweegt de Afdeling, net als de rechtbank, dat dit buiten de omvang van dit geschil valt. Hoewel invoelbaar is dat de rapporten grote gevolgen hebben gehad en mogelijk nog hebben voor [appellante] en haar kinderen, kan in deze procedure niet worden vastgesteld dat de RvdK geen onderzoek had mogen starten of dat er grond bestaat om tot beëindiging van de maatregelen te komen, zoals [appellante] wil. Er is in hoger beroep niets aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris de rapporten zelf niet verdergaand had hoeven te rectificeren.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.