2 jul 2026,
HvJ EU: AVG-klacht mag niet worden afgewezen wegens lopende civiele procedure
HvJ EU 18 juni 2026, IT&Recht 5333; ECLI:EU:E:2026:493 (Dr. G S tegen Datenschutzbehörde en D GmbH). In deze prejudiciële procedure tussen de Oostenrijkse Datenschutzbehörde (DSB) en Dr. G S staat de vraag centraal of een toezichthoudende autoriteit een AVG-klacht mag afwijzen wanneer de betrokkene eerder al een civiele procedure over hetzelfde onderwerp is gestart. Het Hof van Justitie verduidelijkt de verhouding tussen de rechtsmiddelen van de artikelen 77 en 79 AVG en geeft richting aan de wijze waarop lidstaten de parallelle uitoefening daarvan mogen vormgeven. Aanleiding voor het geschil vormt een verzoek van arts Dr. G S om haar persoonsgegevens te laten verwijderen van een online artsenbeoordelingsplatform. Nadat de exploitant van het platform dit verzoek had afgewezen, stelde zij een civiele procedure in waarin zij onder meer verwijdering van haar persoonsgegevens en een verbod op verdere verwerking vorderde. Nadat ook een tweede verzoek tot verwijdering op grond van de AVG was afgewezen, diende zij daarnaast een klacht in bij de Oostenrijkse gegevensbeschermingsautoriteit op grond van artikel 77 AVG. De DSB wees die klacht af, omdat volgens haar niet tegelijkertijd een procedure bij de toezichthouder en een civiele procedure met hetzelfde voorwerp kon worden gevoerd. Het Hof stelt voorop dat de AVG verschillende, naast elkaar bestaande rechtsmiddelen biedt om de rechten van betrokkenen te beschermen. Artikel 77 AVG geeft iedere betrokkene het recht een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit, terwijl artikel 79 AVG daarnaast een rechtstreeks beroep op de rechter mogelijk maakt tegen een verwerkingsverantwoordelijke of verwerker. Uit de bewoordingen van deze bepalingen volgt dat beide rechtsmiddelen kunnen worden uitgeoefend "onverminderd" elkaar. De AVG kent daarom geen exclusieve bevoegdheid toe aan de toezichthouder of de burgerlijke rechter en bevat evenmin een voorrangsregel tussen beide procedures. Volgens het Hof sluit deze uitleg aan bij de doelstellingen van de AVG. De verordening beoogt een hoog niveau van bescherming van persoonsgegevens en een effectieve rechtsbescherming voor betrokkenen. Juist doordat meerdere rechtsmiddelen naast elkaar beschikbaar zijn, wordt de bescherming van de rechten uit de AVG versterkt.
Lidstaten beschikken weliswaar over procedurele autonomie bij de inrichting van hun nationale procesrecht, maar die autonomie wordt begrensd door het doeltreffendheids- en gelijkwaardigheidsbeginsel en door het recht op effectieve rechterlijke bescherming uit artikel 47 van het Handvest. Het Hof oordeelt vervolgens dat een toezichthoudende autoriteit een klacht niet mag afwijzen uitsluitend omdat eerder een civiele procedure over hetzelfde onderwerp aanhangig is gemaakt. Een dergelijke afwijzing kan ertoe leiden dat een betrokkene uiteindelijk helemaal geen inhoudelijke beoordeling van zijn AVG-klacht krijgt, bijvoorbeeld wanneer de civiele procedure om procedurele redenen strandt of niet tot een inhoudelijk oordeel leidt. Daarmee zou afbreuk worden gedaan aan de effectieve bescherming die de AVG beoogt te waarborgen. Wel erkent het Hof dat lidstaten maatregelen mogen treffen om tegenstrijdige beslissingen te voorkomen. Daarbij noemt het Hof expliciet als voorbeeld de mogelijkheid om een schorsingsmechanisme in te voeren. Een toezichthoudende autoriteit zou de behandeling van een klacht tijdelijk kunnen schorsen wanneer eerder een rechterlijke procedure met hetzelfde voorwerp is ingesteld. Zodra de rechter een definitieve beslissing heeft genomen, kan de toezichthouder de klacht vervolgens met inachtneming van die uitspraak verder behandelen. Volgens het Hof vormt een dergelijke oplossing een evenwicht tussen effectieve rechtsbescherming en het voorkomen van tegenstrijdige beslissingen. Het Hof concludeert daarom dat de artikelen 77 en 79 AVG eraan in de weg staan dat een toezichthoudende autoriteit een klacht afwijst op de enkele grond dat eerder een gerechtelijke procedure over hetzelfde onderwerp is ingesteld, ook wanneer die procedure nog aanhangig is. De AVG vereist dat nationale regels de parallelle uitoefening van beide rechtsmiddelen niet blokkeren door een dergelijke afwijzing; lidstaten mogen uitsluitend procedurele regels vaststellen, zoals een schorsingsmechanisme, die het voorkomen van tegenstrijdige beslissingen beogen zonder de effectieve bescherming van de door de AVG gewaarborgde rechten te ondermijnen.
36. Hieruit volgt, zoals de advocaat-generaal in punt 46 van zijn conclusie heeft opgemerkt, dat de AVG niet in een prioritaire of exclusieve bevoegdheid voorziet en evenmin een voorrangsregel bevat voor de beoordeling, door de autoriteit of rechterlijke instanties die in die verordening worden genoemd, van de vraag of inbreuk wordt gemaakt op de bij die verordening verleende rechten. Het Hof heeft namelijk al geoordeeld dat de in artikel 78, lid 1, van deze verordening bedoelde voorziening in rechte – die betrekking heeft op het onderzoek van de wettigheid van het op grond van artikel 77 vastgestelde besluit van een toezichthoudende autoriteit – en de in artikel 79, lid 1, van die verordening bedoelde voorziening in rechte ook naast elkaar en onafhankelijk van elkaar kunnen worden ingesteld (zie in die zin arrest van 12 januari 2023, Nemzeti Adatvédelmi és Információszabadság Hatóság, C‑132/21, EU:C:2023:2, punt 35).
37. Wat in de tweede plaats de context van die bepalingen van de AVG betreft, dient in herinnering te worden gebracht dat krachtens artikel 57, lid 1, onder f), van deze verordening elke toezichthoudende autoriteit op haar grondgebied de klachten moet behandelen die iedere betrokkene overeenkomstig artikel 77, lid 1, van die verordening kan indienen wanneer hij van mening is dat een verwerking van hem betreffende persoonsgegevens schending van die verordening oplevert, het voorwerp van die klachten – voor zover nodig – moet onderzoeken, en de klager binnen een redelijke termijn in kennis moet stellen van de vooruitgang en het resultaat van het onderzoek. De toezichthoudende autoriteit moet een dergelijke klacht dus met de nodige voortvarendheid en zorgvuldigheid onderzoeken [arrest van 26 september 2024, Land Hessen (Verplichting van de gegevensbeschermingsautoriteit om op te treden), C‑768/21, EU:C:2024:785, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Zoals in overweging 129 AVG wordt bevestigd, speelt die autoriteit dus een onmisbare rol in het systeem voor de bescherming van persoonsgegevens en draagt zij bij tot de eenvormige handhaving van de betrokken verordening in de lidstaten.
38. In de derde plaats vindt die contextuele uitlegging steun in de doelstellingen van de AVG. In dit verband moet worden opgemerkt dat de keuze van de Uniewetgever om de betrokkenen bij de verwerking van persoonsgegevens de mogelijkheid te bieden om gelijktijdig en onafhankelijk van elkaar gebruik te maken van de beroepsmogelijkheden waarin artikel 77, lid 1, en artikel 79, lid 1, AVG voorzien, in overeenstemming is met de doelstelling van deze verordening. Zoals blijkt uit overweging 10 bestaat die doelstelling er namelijk in natuurlijke personen een hoog beschermingsniveau te bieden in verband met de verwerking van persoonsgegevens in de Unie. In overweging 11 van die verordening staat bovendien te lezen dat een doeltreffende bescherming van deze gegevens vereist dat de rechten van de betrokkenen worden versterkt.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 77, lid 1, en artikel 79, lid 1, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)moeten aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat een toezichthoudende autoriteit waarbij een klacht krachtens artikel 77, lid 1, is ingediend, die klacht kan afwijzen op de enkele grond dat er eerder een voorziening in rechte krachtens artikel 79, lid 1, is ingesteld die hetzelfde voorwerp heeft, zelfs als de beslissing in het kader van die voorziening nog niet definitief is geworden.